Zonder ‘levenswekker’ Hugo Verriest geen Gezelle of Streuvels

100 jaar geleden overleed op 27 oktober de West-Vlaamse priester-redenaar Hugo Verriest. Als dichter brak hij geen potten, maar als mentor van onder anderen Guido Gezelle, Albrecht Rodenbach of Stijn Streuvels des te meer. Van Verriest gisteren tot Jozef Deleu vandaag: zonder bevlogen impresario’s zou veel Nederlandstalige literatuur simpelweg niet bestaan.

Er roert en poert entwat

Hugo Verriest (1840-1922) is vandaag niet meer dan een voetnoot in de letteren. Hij maakte ooit furore met Twintig Vlaamse koppen (1901) waarin hij de lof zong van zijn literaire pupillen: Gezelle (1830-1899) voorop maar ook de jong gestorven Rodenbach (1856-1880) en de stokoud geworden Streuvels (1871-1969). Hij was een volbloed retorisch talent dat in Vlaanderen en Nederland volle zalen trok met zijn speech over de renaissance van het Vlaamse volk. Meer dan 800 keer zong hij de lof ervan. Toen hij in 1913 de Vlaamse letterenacademie toesprak, klonk dat Gezelliaans klankrijk als volgt: ‘Er roert en poert en wordt entwat in dat oud, schoon, lief West-Vlaanderen.’

Verriest was nochtans geen West-Vlaamse taalparticularist, zoals zijn oud-leraar Gezelle. Hij geloofde in een Vlaamse taal die de synthese zou zijn van alle dialecten onder de Moerdijk. Als tiener had hij les gekregen van de twintiger Gezelle in Roeselare en werd hij meegezogen in het enthousiasme voor de schone, sensuele letteren, zoals Gezelle die in de klas uitdroeg. Gezelles oversten waren niet opgezet met het gedweep van de scholieren met hun meester en dumpten Gezelle in 1860 in een Brugs nonnenklooster. Gezelle beleefde een eerste grote mentale crisis die hij dankzij Verriest te boven kwam. Verriest sprak op zijn vroegere leermeester in en zette zich aan de samenstelling van Gedichten, gezangen en gebeden (1862), Gezelles officiële debuut.

Franstalig establishment

Voorlopig zette die publicatie Gezelle allerminst op de literaire kaart. En Gezelle zelf zou de decennia daarna ook weinig opzien baren als dichter. Hij liet zich bij gebrek aan beter dan maar gelden als gelegenheidsdichter én katholieke polemische journalist. Het is pas na Gezelles dood dat dankzij Verriests onvermoeibare kruistocht Gezelles literaire genie in bredere kring werd opgemerkt.

Verriest, afkomstig uit een milieu van Franstalige notabelen, stond in tegenstelling tot autodidact Gezelle wel in contact met het Franstalige establishment in Vlaanderen en ook met vrijzinnige auteurs, zoals August Vermeylen (1872-1945). Vermeylen was via Verriest onder de indruk geraakt van Gezelles late poëzie uit Tijdkrans (1893) en vooral Rijmsnoer (1897). Hij nodigde Verriest uit om te publiceren in Van Nu en Straks in de late jaren 1890. Vermeylen zou later in zijn geschiedenis van de Vlaamse literatuur Gezelle als eerste Vlaamse dichter met internationale allure opvoeren.

Gemeenschapskunst

Zonder Verriest was Gezelle alleen maar bekend gebleven als West-Vlaamse gelegenheidsauteur. Het is dankzij Verriests bevlogenheid van impresario en stimulator dat Gezelle de dichter werd die hij nu is. Hetzelfde stond te gebeuren met Albrecht Rodenbach. Verriest had ondertussen via zijn diplomatieke gaven de leraarsplaats van Gezelle in Roeselare ingenomen. En zoals zijn voorganger wist hij met zijn bezielend leraarschap zijn jeugdig publiek op een hoger niveau te tillen. Zo hoog dat er in 1875 een heuse scholierenopstand plaats vond.

De groote stooringe, zoals de opstand plastisch heette, leidde tot de ontdekking van het literaire talent van de jonge Rodenbach én tot de verbanning van Verriest naar een parochie in la Flandre profonde. Voortaan zou Verriest als dorpspastoor in Heule, Wakken en Ingooigem moeten figureren. Verriest profileerde zich als pastor van te lande en werd de veelgevraagde redenaar die zijn publiek opriep om naar de eigen authentieke stem te luisteren. Vermeylen had het over gemeenschapskunst die de schrijver zou uitdragen om zo bij te dragen aan de emancipatie van het eigen volk.

Schrijvers in wording vleugels geven

Rodenbach vertelt in zijn dagboeken hoe inspirerend Verriest wel kon zijn. ‘Gij moet de katholieke Goethe worden’ had Verriest hem ingefluisterd. En: ‘Il ne faut pas se laisser dépoétiser.’ Rodenbach zou als 23-jarige jonge belofte sterven, maar Verriests mentorschap bleef schrijvers in wording vleugels geven. Streuvels vertelt hoe hij als kleuter al met Verriest in aanraking kwam en aan diens lippen hing.

Verriest zag het grote literaire potentieel in Gezelles neef en moedigde hem aan om zijn eerste schrijfsels aan de redactie van Van Nu en Straks te sturen. Iets wat Verriest door de katholieke goegemeente – en ook door Gezelle zelf trouwens – niet in dank werd afgenomen. Met uitzondering van de katholieke Prosper Van Langendonck (1862-1920) werd dit baanbrekende literaire blad door het kruim van de vrijzinnige schrijvers gerund, met onder anderen August Vermeylen en ook Cyriel Buysse (1859-1932).

Buysse was dan weer ontstemd dat Verriest hem in Twintig Vlaamse koppen geen plaatsje gunde en schreef ironisch: ‘Ik vraag, ik eis, ik wil mijn Kop.’ Maar Verriest op jaren had zich als een kluizenaar teruggetrokken in zijn pastorie te Ingooigem waar hij audiëntie hield. De jeugdige Felix Timmermans (1886-1947) ging er op bedevaart om advies te vragen over zijn ontluikend schrijverschap. Maar de ouwe Verriest die hem trakteerde op een lekkere fazant was snoeihard voor de jonge Lierenaar en maande hem aan om zijn personages ieder hun eigen stem te geven want de zee heeft toch ook haar eigen ritme?

Literaire coaches

Na zijn dood schreef de jonge Filip de Pillecyn (1891-1962) in 1926 al een essay over Verriest. André Demedts (1906-1992) zou ‘de levenswekker Verriest’ bejubelen, zoals zijn eerste monografie uit 1945 over Verriest heette. In 1974 publiceerde de letterenacademie nog Demedts’ De esthetica van Hugo Verriest, vormgegeven door collega-académicien Maurice Gilliams (1900-1982).

Het was diezelfde Demedts die zijn jeugdige collega-West-Vlaming Jozef Deleu letterlijk over de schreef trok om er in 1957 Ons Erfdeel te beginnen. Wervikkenaar Gaston Durnez (1928-2019) werd Deleu’s vanzelfsprekende bondgenoot. Het blad is ondertussen verveld tot De Lage Landen maar de aandacht voor het Nederlandstalige cultureel-literaire erfgoed is er nog altijd de leidraad van. En zelf zet tachtiger Deleu nu al 20 jaar lang met zijn eenmansblad Het liegend konijn de nieuwe poëzie uit Noord en Zuid met een mix van oud en jong elk half jaar in de kijker.

Er loopt dus een min of meer rechte lijn van stimulator Verriest tot Deleu. Zonder de onvermoeibare inzet van deze literaire coaches zou het zogenaamde letterenveld maar een dorre vlakte zijn. Het wordt hoog tijd om de netwerken waarin deze literaire ‘levenswekkers’ opereerden eindelijk eens meer gedetailleerd in kaart te brengen. Ook buiten West-Vlaanderen natuurlijk. Van Max Wildiers tot Frans Boenders en Patricia de Martelaere bijvoorbeeld, of van Herman de Coninck tot Benno Barnard, Bernard Dewulf en zovele anderen. Ja, er is nog veel onontgonnen terrein voor letterenstudenten in spe.

Frank Hellemans