‘Words, words, words: de ontroostbare Hamlet

‘Words, words, words. Het is de op een na bekendste oneliner uit het bekendste stuk van onze bekendste toneelschrijver. ‘Wat ben je aan het lezen, heer?, vraagt de hoveling Polonius in de tweede scène van het tweede bedrijf van Hamlet. Achter een gordijn kijken de moeder en oom van de prins toe. Zij vinden dat Hamlet de laatste tijd gek doet. Polonius heeft hen verzekerd dat hij zal ontdekken waarom.

Het boek van Hamlet

Ik ben woorden aan het lezen, zegt Hamlet. Woorden, woorden en nog eens woorden. Zo gaat dat met boeken: ze staan altijd vol woorden. Drie lettergrepen in het Engels, zes in het Nederlands: laat me toch met rust, man. Hamlet weet dat het Polonius niet om zijn boek te doen is. Daarom laat hij de vraag ook onbeantwoord.

De vraag van Polonius is nochtans interessant. Wat zou Hamlet aan het lezen zijn? Nogal wat specialisten hebben dat proberen te achterhalen. Na anderhalve eeuw is er ei zo na consensus. Hamlet leest een boek waarin alles te lezen valt wat een mens over de troost wil weten: De consolatione libri tres (1542) van de Italiaanse astroloog en mathematicus Girolamo Cardano. (Naar hem werd de cardanas van autos genoemd).

Troosten of niet troosten

We weten dat in Shakespeares tijd van Cardanos boek over de troost een Engelse vertaling verscheen. Meer nog: die vertaling is opgedragen aan Edward de Vere, de ‘Earl of Oxford van wie sommigen denken dat hij in werkelijkheid de stukken van Shakespeare heeft geschreven.

In Hamlet staan in elk geval zinnen die zo uit de Cardano-vertaling lijken te komen. Zo bijvoorbeeld in de befaamde To be or not to be-monoloog van Hamlet. Ook in die scène zou Hamlet volgens sommigen het boek van Cardano in de hand houden.

Tekenen van rouw

Hamlet blijft het hele stuk lang ontroostbaar. Het verlies van zijn vader vervult hem met een mateloos verdriet. Wanneer zijn moeder en zijn oom hem proberen te troosten lukt dat niet. Ze gebruiken daarbij argumenten uit antieke troost-teksten die zeggen dat er aan het verdriet en de rouw grenzen moeten worden gesteld.

Hamlets moeder en oom willen dus dat de prins zijn verstand gebruikt. Hamlets redelijkheid moet zijn verdriet kunnen temperen. Mensen gaan nu eenmaal dood, en Hamlet is zeker niet de eerste die zijn vader verliest. Blijven rouwen is je verzetten tegen de wil van de hemel, zegt Hamlets oom. Waarom blijft haar zoon zo lang rondlopen in het zwart van de rouw, vraagt zijn moeder. En waarom nog altijd dat treurig gezicht?

Wraaktragedie

Hamlets repliek maakt meteen duidelijk waarom die troost niet pakt. Denken jullie echt dat jullie weten hoe ik me voel, werpt hij zijn moeder voor de voeten. Denken jullie echt dat die kleren en dat gezicht iets zeggen over mijn binnenste? Doe toch niet alsof jullie mij begrijpen! Daar kan geen enkele trooster tegen op.

Hamlet wil geen troost, en misschien heeft hij net dat bij Cardano geleerd. Hamlet zoekt wraak: daartoe heeft de geest van zijn dode vader hem opgeroepen. Wraak is in vele opzichten het exacte tegendeel van troost. Wie wraak wil, wil een onrecht rechtzetten. Wraak is pay back time, niet meer, niet minder.

Aanvaarding

Troost beoogt iets anders. Troost gaat om het aanvaarden van een onrecht. Wie wraak wil, wil handelen, rechtzetten, veranderen, en ook dat is een wezenlijk verschil. De enige verandering die troost beoogt, is een verandering van inzicht die kan leiden tot het aanvaarden van de werkelijkheid die zoveel pijn en verdriet doet. Troost aanvaarden betekent de wens opgeven dat die werkelijkheid anders zou zijn. Troost aanvaarden is de onveranderd wrede werkelijkheid nemen zoals ze is.

Hamlets gedrag wordt gekenmerkt door wat Patricia de Martelaere in een van haar vele mooie essays ‘het verlangen naar ontroostbaarheid noemde. De Martelaere heeft het in die tekst over een ander bekend personage van Shakespeare, over Juliet. Maar wat voor het jonge meisje uit Verona opgaat, geldt ook voor de iets oudere prins uit Elsinore. Ze kunnen beiden niet getroost worden omdat ze dat niet willen. Troost aanvaarden zou immers betekenen dat ze hun geliefde – Romeo in het geval van Juliet, Hamlets vader in het geval van Hamlet – hier en nu opgeven.

Woorden, woorden en nog eens woorden

Hamlets ‘words, words, words krijgt in het licht van het voorgaande een bijkomende betekenis. Wat Hamlet in Cardano leest, zijn inderdaad woorden, woorden en nog eens woorden. Woorden die hem niets zeggen omdat ze gaan over wat hem geen stap verder brengt: troost. Het is voor Hamlet eenvoudigweg het verkeerde boek. Cardano zegt namelijk exact wat Hamlets moeder en oom al zegden: dat de dood niet alleen iets onvermijdelijks is dat we moeten aanvaarden, maar zelfs iets waardoor we uiteindelijk rust kunnen vinden.

De ironie van Hamlets antwoord op de vraag van Polonius is dat troost net datgene is wat die eenvoudige herhaling ook aangeeft: woorden, woorden, woorden. Troost is retoriek, maar daarom niet noodzakelijk in de negatieve betekenis van dat begrip. Wie zich laat troosten, laat zich overtuigen door de woorden van diegene die troost wil bieden. Die woorden zijn ook de juiste woorden als de troost zijn werk goed doet.

Wantrouwen

Ook daar heeft Hamlet een probleem. Op elk woord dat hem wordt toegesproken, reageert hij met wantrouwen. Wie hem ook aanspreekt, telkens opnieuw riposteert hij met een opmerking of een woordspeling die de conventionele band tussen het woord en zijn evidente betekenis op de helling zet.

Woorden zijn voor Hamlet vaten met dubbele bodems, omhulsels die om geen enkele dwingende reden samengaan met datgene waarvoor ze verondersteld worden te staan. Woorden zeggen niets in het universum van Hamlet, ze verhullen alleen maar. Ze liegen, ook als ze goed bedoeld zijn. Hamlets voorbeeld maakt ex negativo duidelijk wat ook Cardano al wist: wie troost wil, moet de betekenis van woorden vooral niet in twijfel trekken.

Jurgen Pieters