Woonzorgcentra: om cynisch van te worden, maar het kán anders

‘Het is gewoon billen wassen en pillen pletten, Pinar. Het zou niets voor jou zijn. De woorden van mijn vriend, directeur van een woonzorgcentrum, bleven de hele tijd door mijn hoofd razen bij het lezen van het jongste boek van Ann Peuteman, Verplant. Ik had naar de jobinhoud van een vacature in zijn instelling gevraagd. Hij schaamde zich voor die woorden die hij toen aan zijn keukentafel had uitgesproken.

Zijn vrouw, die mij een koffie bracht, maakte een wuivend gebaar: niet verder ingaan op die woorden. Want ze pasten niet bij mijn vriend die de meest empathische en humane persoon in de wereld is. Hij respecteert zelfs de vrijheid en integriteit van een vlieg, ook al moet hij haar gezoem rond zijn oren op een zwoele zomernacht tolereren in zijn slaapkamer.

Jaren later gaf hij toe dat hij cynisch was geworden, iets wat totaal niet paste bij zijn christelijk wereldbeeld waarin hij een bijna obsessieve aandacht had voor de noden en wensen van zijn medemens. We konden urenlang discussiëren over verschillende onderwerpen. En dan nog kon hij mij de dag erna opbellen om te vragen of hij mij niet te hard had aangepakt. Mijn vriend was cynisch geworden door de hiërarchische structuren in een woonzorgnetwerk dat commercieel profijt boven kwalitatieve zorg verkoos.

Theorie versus praktijk

Tijdens mijn studie verpleegkunde had ik vaak naar hem gebeld om mijn gal te spuwen over mijn zoveelste stageplaats in een woonzorgcentrum. Hij kon enkel maar luisteren. Om te beamen dat ouderenzorg in dit klimaat, uitzichtloos en weinig ambitieus, niks voor mij was. De studie en de theorie rond ouderenzorg vond ik dan weer wel interessant.

Het is misschien de meest achtergestelde discipline in de gezondheidszorg. Ze wordt stiefmoederlijk wordt behandeld, terwijl ze net de meeste aandacht zou moeten krijgen.

Ik protesteerde elke keer bij mijn docenten toen ik alweer een stageplaats kreeg toegewezen in een woonzorgcentrum. Omdat je daar werkelijk niets leerde. Elke keer als ik van zon stagedag terugkeerde schreeuwde ik het uit door de telefoon tegen mijn moeder als zij vroeg hoe mijn dag was geweest: Ik doe niks, ik help mensen gewoon op toilet, continu, de hele dag door, moeder!

Ik had vaak op het punt gestaan om te stoppen met studeren. Ik had een zekere van achterdocht voor mijn school. Omdat ik vond dat ze ons bewust richting ouderenzorg duwde. Wij, als studenten, werden nooit betrokken bij het beleid. We wisten niet wat beleid was, we moesten enkel wassen. En we werden beoordeeld op het wassen, niet over ons klinisch redeneervermogen.

Ik had nood aan verschillende studies rond participatie, communicatie en inspraak in de ouderenzorg zoals het Tubbemodel waar Ann Peuteman over schrijft in haar boek (blz. 131). Ik had behoefte aan innovatieve zorg. In een discipline zo ouderwets  georganiseerd dat er gewoon geen ruimte was voor ideeën. Er was uitsluitend ruimte voor nog sneller werken zonder oog voor het welzijn van de bewoner.

Bejaard zijn is geen score op een Katz-schaal waar we inschatten wat de bejaarde persoon nog allemaal kan op vlak van mobiliteit, wassen, aankleden, eten en drinken. Bejaard zijn is een levensfase. En dat werd te weinig benadrukt in onze studies.

Structurele, mensonterende problemen

De zorgkundigen in de woonzorgcentra waren dan weer niet geschoold en hadden weinig aandacht voor de noden van de ouderen. Door een gebrekkige opleiding, door werkdruk of gewoon door desinteresse. Bejaarden werden gefixeerd: fysiek of chemisch omdat ze dwaalgedrag vertoonden. Mensen verkommerden in hun kamers, konden hun frustraties niet ventileren omdat hun vertrouwenspersoon (een verpleegkundige) nergens te bekennen was.

En als er al een vertrouwenspersoon was, dan kregen de bewoners te horen dat ze maar een stuk vlaai moesten eten. De geriater dreef dan weer de dosis van het antidepressivum omhoog. Maar structurele oplossingen kwamen er nooit.

Gefixeerde ouderen die letterlijk smeekten om naar toilet te mogen gaan werden aan hun lot overgelaten. Broeken waren vaak nat, soms werd gezegd dat ze gewoon maar in hun broek moesten plassen. ‘Geef hem maar een pamper, was een vaak gehoorde opdracht. En niemand die dacht aan een onderliggende indicatie  naar een mogelijke blaasontsteking. Toch een vaak voorkomend ziektebeeld bij ouderen.

De lichamelijke integriteit

Hoewel het een belangrijke parameter is, stierf ik elke keer ik aan een bewoner moest vragen of hij/zij problemen ondervond bij de toiletgang, bij het wassen, het intiem toilet, het toedienen van een lavement of het inbrengen van een blaassonde. We tastten de lichamelijke integriteit aan van elke bewoner, ook al wisten we dat het noodzakelijk was. En elke keer kon ik mijn frustratie niet verbergen en vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige en mijn docent of het echt niet anders kon.

Moesten die mensen elke dag in hun blootje liggen in bed terwijl mijn docent en ik meer dan een uur knoeiden met washandjes en warm water om toch maar de werkwijze van een intiem toilet goed onder de knie te krijgen? Ik kreeg altijd voldoendes. Slaagde maar net op mijn stages in die woonzorgcentra omdat ik de dagelijkse indrukken niet kon verwerken.

Ik zwijg nog over de kinderlijke animatienamiddagen waar de ouderen in stoelen moesten dansen of een uur lang ballen naar elkaar gooien. De bibliotheekkar rustig voortgeduwd door een vrijwilliger die haar hoofd in elke kamer binnenstak zonder te wachten op toestemming om de kamer te betreden. De vergeelde bladzijden die uit die boeken vielen die werden rondgebracht. De gemeenschappelijke ruimtes waar gezonde ouderen samen met zorgbehoevende ouderen zaten, geconfronteerd met de vergevorderde stadia van Alzheimer en Parkinson.

Het ontbreken van beweging of zelfs voorzieningen zoals hometrainers of loopbanden om toch maar wat beweging te krijgen in die stramme spieren. Of de keren dat ik als studente werd afgewimpeld door het personeel met de boodschap ‘mij bezig te houden met de bewoners. Waarom werden pillen geplet, waarom werden dranken ingedikt, waarom moesten sommige bejaarden bijvoeding krijgen? Belangrijk. Als studente wilde je dat weten, maar je kreeg geen antwoorden van het personeel. Omdat je in je eerste jaar alleen moest leren mensen wassen en naar toilet begeleiden.

Een wereld van verschil 

Ik kwam op de acute geriatrie van een ziekenhuis terecht. Ik werd er hardhandig aangepakt door het personeel omdat ik de gewoonten van de woonzorgcentra had meegenomen. Omdat ik niet beter wist. Mijn school had in mijn beginjaren als studente mij uitsluitend de zorg binnen de vier muren van een woonzorgcentrum getoond.

Medicatiebeleid, wondzorg, klinisch redeneren, integriteit, communicatie was nu van een heel ander niveau, in een acute setting. Ik ging verder, kwam op andere disciplines terecht en ontwikkelde een passie voor verpleegkunde. En ik studeerde af met een mooie studie rond revalidatie. Ik leerde en maakte gebruik van de menselijke veerkracht. Ik moedigde mensen aan om zelfredzaam te zijn. En te blijven, en om te praten met mij. Ik was een verpleegkundige voor mijn mensen op mijn afdeling geworden. En ik was er trots op.

Een kentering aan de gang

Toen ik het boek van Ann Peuteman, Verplant, las, voelde ik die passie weer oplaaien. Het bracht mij terug naar mijn studies, maar ook naar mijn nare ervaringen in de woonzorgcentra. Het boek toont ook aan dat er een kentering aan de gang is in het landschap van de ouderenzorg, over alle disciplines heen. Een langverwachte kentering die nog altijd stuit op veel protest. Maar iedereen beseft gelukkig wel dat de noodzaak om kwalitatieve zorg aan te bieden, gepaard gaat met het algemeen welbevinden van de bejaarde en zijn of haar familie. Met degelijk beleid en met structurele oplossingen.

Soms als ik in een discussie zit met mijn ouders over één of ander onderwerp, waarschuw ik ze vaak door te zeggen dat ik ze over een paar jaar in een woonzorgcentrum onderbreng omdat ik hun koppigheid niet meer kan verdragen. Ze kunnen er gelukkig mee lachen, maar de grap alleen al is slecht.

Een woonzorgcentrum zou  bij de mensen positieve gedachten moeten oproepen. Eenzaamheid, slechte zorg, verwaarlozing, verdriet zouden niet de dagelijkse indrukken mogen zijn van bejaarden in hun laatste levensfase. Was ik als stagiaire in een woonzorgcentrum terechtgekomen waar men innovatieve zorg hoog in het vaandel droeg, dan was ik er misschien gebleven. Maar de realiteit is dat ik, samen met de bejaarden in die centra, nare ervaringen heb meegemaakt. De mijne waren maar tijdelijk, hun ervaringen zouden blijven duren tot de dood.

Verplant, het nieuwe boek van Ann Peuteman over woonzorgcentra, staat deze week in promotie in de Doorbraak boekhandel.

Pinar Akbas