Willem Frederik Hermans wordt 100 en Stijn Streuvels 150

De honderdste verjaardag van Willem Frederik Hermans op 1 september wordt in Nederland uitgebreid in het zonnetje gezet. Een maand later eert Vlaanderen zijn literaire zonen en dan meer bepaald Stijn Streuvels die op 3 oktober 150 jaar geleden is geboren. Blijkt trouwens dat dubbeltalenten Hermans en Streuvels ook allebei iets met fotografie hadden.

Enfant terrible

Zelfs Guy Verhofstadt doet straks mee aan het Hermans-feestgedruis bij onze noorderburen. Samen met de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema en familieleden van de honderd jaar geleden geboren schrijver zal hij op dinsdag 31 augustus in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een heuse gedenksteen voor Nederlands bekendste enfant terrible – na Multatuli – onthullen.

Deze ceremonie is de opmaat voor een rist Hermans-tentoonstellingen en – boeken die vanaf 1 september het hele jaar door de aandacht voor deze uitzonderlijke stilist warm moeten houden. Het is de bedoeling om de uitgave van Hermans’ Verzameld Werk in 24 delen eindelijk af te ronden. Het eerste deel ervan – met Hermans’ verhaaldebuut Conserve (1947) en zijn eerste ‘Brusselse’ oorlogsroman De tranen der acacia’s (1949) – verscheen in 1995. Nu komen de laatste vier delen aan de beurt dus. Voor de fans krijgt het Verzameld Werk ook, naar Frans voorbeeld, een Pléiade-dundrukversie.

Geen flaptekst

Het Nederlands Huis van het Boek in Den Haag brengt vanaf 1 september een bijzondere literaire tentoonstelling rond de eigenzinnige graficus-vormgever-fotograaf die Hermans ook was. ‘W.F.Hermans in vorm’ toont de suggesties die Hermans zelf deed bij de omslagen van zijn boeken. Aan marketinghypes had Hermans een broertje dood, zoals de correspondentie met zijn uitgever bewijst: ‘Het stofomslag is aantrekkelijk, geen flaptekst de hemel zij geprezen, de band is redelijk, het papier wit en niet dik gelukkig.’

Weinig geweten is dat Hermans vóór zijn officiële debuut in de jaren 1940 vier pulpromannetjes schreef onder het pseudoniem Fjodor Klondyke. Ze zijn te monsteren in de Haagse vitrines, en vooral één ervan zal niet alleen de Damiaan-aanhangers hier te lande intrigeren. De leproos van Molokaï (1945) heet een van deze triviaaluitgaves waarin liefde en moord de hoofdtoon voeren, én een verblijf dus op het Hawaïaanse eiland Molokaï waar pater Damiaan ooit de melaatsen verpleegde.

Mentale melaatsen

Een zekere James Pendennis wil er Carmencita de Guzman ten huwelijk vragen, maar het mislukte aanzoek is de aanleiding tot een melodramatische soap waarin het sardonische genie van Hermans soms de kop opsteekt, zoals in een passage waarin door priesters op de preekstoel niet zozeer de fysieke melaatsheid wordt geviseerd maar de mentale: ‘Het eiland Molokaï’, zo spraken zij, ‘is niet alleen een kolonie van melaatsen, het is ook een kolonie van geestelijk melaatsen.’ En de misdadigheid is een erger ziekte dan de melaatsheid. Melaatsen kan men nog op een eiland isoleren, zodat de besmetting zich over het zeewater niet voort kan planten. ‘Maar welke zee,’ vroegen zij zich af, ‘kan het zaad der misdaad tegenhouden?’ ‘

Later zou Hermans in Drie melodrama’ s (1957) dit verhaal herschrijven in een meer uitgepuurde versie, maar de titel bleef behouden. Dus helemaal afzweren deed hij zijn verleden van stuiverromannetjes blijkbaar niet. Het finale vierentwintigste deel van Hermans’ Verzameld Werk dat voor augustus 2022 is gepland, zou ook deze Klondyke-probeersels groeperen.

Leerschool van de fotografie

Het achttiende deel ervan bevatte al de neerslag van Hermans’ levenslange passie voor fotografie die hij maniakaal beoefende. Fotobiografie (1969) tot Een foto uit eigen doos! (1994) documenteren die passie. Niet zo verwonderlijk eigenlijk voor wie vertrouwd is met Hermans’ loepzuivere literaire stijl. En ook veelzeggend omdat de eerste Nederlandse realistische roman van enige betekenis de donkere fotografische kamer al in de titel ervan opvoerde. Camera obscura (1839) van Nicolaas Beets wou naar analogie met de portretkunst van schilders en vooral fotografen snapshots maken van alledaagse burgers, met vaak ironische of alleszins humoristische inslag. Bij Hermans leidde de fotografische leerschool van het kijken tot een meer sarcastisch gepointeerde verteltrant.

Wikimedia Commons

Stijn Streuvels

Wie door een fotografische lens leert kijken, observeert immers pas echt hoe de menselijke fauna floreert. Stijn Streuvels was ook een van die visueel ingestelde schrijvers die levenslang foto’s schoot. Ter gelegenheid van zijn honderdvijftigste verjaardag op 3 oktober opent dan in het Antwerpse Letterenhuis een veelbelovende expo over zijn fotografisch werk. ‘Het moet iets geweest zijn als de drang om ’t verleden vast te houden, niet in de vergetelheid te laten vallen.’ Zo verwoordde Streuvels zelf zijn ‘drang’ om mensen uit zijn omgeving maar ook processies, bustes, dieren en natuurlijk naaste familieleden fotografisch vast te leggen.

‘Oogen die kijken’, zoals de tentoonstelling heet, wil daarbij vooral op zoek gaan naar parallellen tussen het literaire werk van de gevierde schrijver en de kiekjes van de dilettant-fotograaf. Er wordt zo onder andere gefocust op de vele foto’s die Streuvels nam op zijn reis naar het vooroorlogse Palestina in 1935.

Terug naar af

Natuurlijk wordt ook de schrijver zelf met enkele gelegenheidspublicaties gefêteerd. Vijf van zijn beste werken krijgen een nieuw kleedje, waaronder de klassiekers De teleurgang van de waterhoek, De Vlaschaard en Het leven en de dood in de ast. In onze Doorbraak-Boekenwinkel loopt er eind september trouwens een promo-actie waarbij deze drie klassiekers van de 150-jarige Streuvels worden aangeboden.

Maar ook het minder bekende Langs de wegen en De blijde dag worden door uitgeverij Lannoo in dit jubeljaar in de oorspronkelijke taal maar in een nieuwe spelling heruitgebracht. Langs de wegen, de eerste langere roman van Streuvels uit 1902, was Streuvels’ persoonlijke favoriet uit zijn hele oeuvre en is een geheimtip voor de literaire meerwaardezoeker. Alle ingrediënten van Streuvels’ verteltalent zijn er in aanwezig: de plastische stijl en de tragisch-fatalistische wendingen. Niemand ontloopt zijn (nood)lot, ook de paardenknecht Jan niet die zijn eigen vleugels uitslaat en momenten van groot en klein geluk kent, maar daarbij uiteindelijk wordt uitgewezen uit het paradijs, terug naar af. Onder Streuvels’ blik krijgt de kleinmenselijkheid kosmische proporties.

De blijde dag uit 1921 is een novelle over een weesmeisje dat op een dag wordt meegetroond door een rijke oom en zo de ‘blijde’ wereld buiten de muren van het weeshuis leert kennen. Bij haar terugkomst kijkt ze heel anders aan tegen de door nonnen bestierde ‘gevangenis’ en droomt ze van het volle leven en een definitieve ontsnapping. Ook zonder spoiler alert weet de lezer allicht hoe het in Streuvels’ mythische universum zal aflopen.

 

Frank Hellemans