Wie Wat Woke: Wakker Waken

Wie zijn boek een titel geeft als Wie Wat Woke en zelf nog eens Walter Weyns heet, moet erop rekenen dat deze recensent een tegenzet doet in het spel met alliteraties. Ik ben er zelfs tevreden mee. Mijn titel vat het verschijnsel ‘woke’ bondig samen: ‘wokers’ zijn immers mensen die besloten hebben wakker en alert te blijven voor alle onrecht dat de wereld hen heeft aangedaan, nog aandoet en zal aandoen. Zij staan op wacht. En de socioloog Weyns heeft alle ingrediënten van deze wokerigheid verzameld en in zijn wok gedraaid. Maar, dat moet onmiddellijk gezegd, hij heeft er geen potje van gemaakt.

Nieuwe woordjes leren

Veel bestanddelen zijn de mensen hier te lande al bekend van de woordenschat, afkomstig van Amerikaanse ‘studies’, die ze door de media, de cultuurwereld en academia hebben opgelepeld gekregen, onder meer door journalisten die zelden stilstaan bij hun eigen slaafsheid.

Wat hebben we op enkele jaren tijd zoal moeten leren verstaan en gebruiken? Ten eerste, dat is nu wel algemeen geweten, dat blank taboe en wit is geworden. Ten tweede, dat er met behulp van wit allerlei eigenschappen aan de blanken worden toegeschreven, zoals daar zijn (pêle-mêle, zoals in de wok) witte breekbaarheid, witte schuld, witte angst, witte suprematie, witte privileges, kortom: witheid tout court. Dingen die u in de grond moesten doen kruipen van schaamte, dat is de bedoeling. Weyns behandelt ze allemaal.

Maar we hebben ook kennis gemaakt met een Engelstalig vocabularium dat ik hier zo goed en zo kwaad als het gaat in het Nederlands vertaal: sociale-rechtvaardigheidskrijgers, veilige ruimtes, beledigingscultuur, microagressies, intersectionaliteit, culturele toe-eigening, geslachtsbeeld (gender!), racialisme en kritische rassentheorie. Dat laatste wordt meestal in het Engels behouden omdat de Nederlandse vertaling echt te veel aan de Duitse vertaling doet denken… Enfin, dingen die u moet kennen om er op zinvolle wijze onzinnige zinsconstructies mee te maken. En Weyns bespreekt ze allemaal.

Racistische witheid

En hij maakt ook duidelijk dat de diepgravendste woke obsessie die is van de Witte Man. Van middelbare tot tachtigjarige leeftijd, wit van pruik, cisgender en tot voor kort centrum van het heelal. De zon draait om de aarde en de wereld om de witte man, schuld van alles, maar vooral schuldig aan de onderdrukking van iedereen die niet man en niet wit is.

Dat is de spil van het hele woke denkwerk: de premisse van de onverbeterlijke witheid, en die is racistisch. Elke denkbare achterstelling van elke denkbare niet-witmens is veroorzaakt door die witte man. Racist tot in de kist, ook als hij er zich niet van bewust is en ook als hij meent een Gutmensch te zijn en het racisme denkt te bestrijden.

Dat ruikt stellig naar ‘Het Vlaams Blok in elk van ons’, het fameuze ‘kerstessay’ in De Standaard van 23 tot 30 december van de hand van Manu Claeys, dat in feite zelf een afleggertje was van de studie van Jan Blommaert en Jef Verschueren van 1992, Het Belgische migrantendebat, dat zegt aan te tonen dat ‘de kern van de ideologie van waaruit tolerante Vlamingen (…) spreken over de Belgische vreemdelingenproblematiek, nauwelijks afwijkt van het gedachtegoed van extreemrechts.’ Iedereen racist. Van hieruit (1992) hoeft men slechts consequent door te redeneren en men komt dertig jaar later uit bij de basistelling van de wokers.

Het Geloof èn de Werken

Walter Weyns brengt dit hele adderkluwen in kaart, in twee maal vijfentwintig hoofdstukjes die samen een aaneensluitend verhaal vormen over de achtergronden en de oorsprongen en de machinaties van het verschijnsel. Met een allusie op een oude vete in het christendom deelt hij het boek op in twee delen, die hij ‘Het woke geloof’ en ‘De woke werken’ noemt. Samen vormen deze twee de Woke Kerk, zoveel is duidelijk.

Wie Weyns’ boek leest, wordt een nieuwe bril aangereikt waarmee hij de krantenberichten over woke in een ander perspectief ziet. Sommige onderwerpen, zoals klasse, racisme, dekoloniseren of woke wiskunde krijgen een hele bundel hoofdstukjes toebedeeld. De informatie aangereikt is verhelderend, zoals in de passages over intersectionaliteit en de toepassingen daarvan op het witte feminisme. Een verhaal zoals dat over de crackercultuur bij zwarten in het noorden van de Verenigde Staten is beslist een voortverteller.

Fundamentele futiliteiten

Voor sommige commentatoren was het allang al te veel. Zij wilden niet dat de wokecultuur geridiculiseerd werd. Probleem is dat de wokecultuur dagelijks zichzelf ridiculiseert door haar hyperbolen en activistische overdrijvingen. Weyns geeft Douglas Murray (The Madness of Crowds) gelijk waar deze laatste stelt dat de wokers ‘van commonsense opvattingen haatmisdrijven maken’.

Wokers houden zich inderdaad meestal bezig met futiliteiten (woordgebruik, voornaamwoordelijk gebruik, monumenten, straatnaamborden), maar dat is ook hun bedoeling, want deze gewoonte zorgt voor een permanente aanwezigheid en zichtbaarheid. Hun futiliteiten zijn fundamenteel, en dat maakt hun activisme juist zo ergerlijk voor de gewone sterveling.

Verweggistan volgens Absurdistan

Andere commentatoren, die in feite het vermeend linkse programma van woke steunen, vinden het allemaal zo erg niet – meestal ‘een maf, futiel of uit de context gerukt detail uit Verweggistan’ (Absurdistanbewoner Marc Reynebeau in De Standaard van 2 juni 2021). Hen kan men slechts lectuur van Weyns’ boek aanbevelen. Verweggistan? Weyns geeft een lijst van volgens Nederlandse en Vlaamse wokers af te raden woorden (snel dus: zwart, westers, travestiet, koppensneller, inheems, homo, etniciteit, bediende, gebrek, handicap, slaaf, allochtoon – uit een woordenlijst van het Nederlandse Tropenmuseum).

Maar ik beschik hier ook over een Handreiking waarden voor een nieuwe taal, en op de VRT circuleert er online een beredeneerde Woordenlijst Diversiteit, mee mogelijk gemaakt door de Taaladviseur, met afwegingen over een honderdtal woorden, in mijn print wel zeventig bladzijden. De Universiteit Antwerpen publiceert op haar webstek een Infofiche genderinclusieve administratieve formulieren en een Verklarende woordenlijst LGBTQ+.

Niet alleen filosofen en filologen (altijd het meest vatbaar voor dergelijke overwaaisels uit Berkeley) maar ook medewerkers van technische diensten zetten onder hun handtekening de voornaamwoorden waarmee ze willen aangesproken worden en waarmee ze willen dat over hen gesproken wordt: hij/hem/zijn, of hun/haar/hun, of zij/haar/haar, of een van de tientallen mogelijk combinaties van deze taalvreemde verzinsels.

Maar je mag er niet mee lachen

Woke staat bekend om zijn fundamentele humorloosheid. Vandaar dat een ‘farceuse’ als Titania McGrath er haar gang mee kan gaan – Weyns heeft een hoofdstukje over haar, en haar boekje Woke. A Guide tot Social Justice (2019) dat hier voor me ligt heeft al menig woker op het verkeerde been gezet, dat wil zeggen tot acties aangespoord waarvan hij of zij het hilarische niet inzag.

Er wordt bij woke niet gelachen. Dubbele bodems zijn ongewenst. Woke moppen bestaan niet, net zomin als politiek-correcte karikaturen kunnen bestaan. Humor en ironie zijn cis, mannelijk en dus verdacht. Ze maken integraal deel uit van de epistemische onrechtvaardigheid waaronder de rest van de wereld lijdt.

Dark Sarcasm in the Classroom

Toch hanteert Walter Weyns soms een dodelijke ironie om het wokisme als een gevaarlijke gekte te typeren. De woke identiteit gaat hij te lijf met onderkoelde zinnetjes. Hilarisch zijn de omschrijvingen van de heilstoestand waarin de wereld zal verkeren als de oude witte cisman met zijn oude witte ciskennis van het toneel zal verdwenen zijn.

Dat komt omdat hij met twee stemmen spreekt. De eenvoudigste manier om deze stemmen te onderscheiden is goed op te letten wanneer hij het woord blank of het woord wit hanteert. Schrijft hij ‘blank’, dan horen we zijn auctoriële stem. De zijne dus, die van de auteur. Schrijft hij ‘wit’, dan spreekt hij in een ‘erlebte Rede’, een citerende stijl die overeenkomt met zijn ironische persoonlijkheid. Dan verplaatst hij zich in de woke geest en vertelt hij op zijn manier wat er zich in die geest zoal voordoet. Op die manier maakt hij ons wegwijs in het labyrint van de wakkerte. Dan hoeft hij, citerend in ‘doorleefde rede’, niet eens uit te leggen waarom het woke staketsel schors en scheef aan mekaar hangt. Dan is zijn stijl ruimschoots afdoende om de excentriciteit van deze Far Side aan te tonen.

Maar soms lijkt hij het te menen als hij minimaliseert wat er aan Vlaamse universiteiten in de wokesfeer gebeurt, of wanneer hij zomaar stelt dat de woke beweging het verleden en het cultureel erfgoed niet vernietigt, maar er slechts aandacht voor vraagt. Vernietigde monumenten, uit bibliotheken verwijderde boeken, ontslagen ambtenaren en hoogleraren en afgelaste lezingen spreken dit tegen. Maar het siert de auteur dat hij zijn onderwerp ook van een neutrale kant wil bekijken. Hij wil de wokebeweging immers enkele goede bedoelingen toeschrijven. Toch besluit hij zijn boek met een hoofdstuk over de tot in het ongerijmde doorgeschoten wokelogica, en met een ‘encyclopedisch artikel’ dat alle twijfel wegneemt.

Wie aarzelt het boek te kopen, moet het in de boekhandel even openslaan op bladzijde 64. Daar staat het to-dolijstje van de woke beweging, bestaande uit 24 punten. Hallucinant, ontnuchterend, gruwelijk. Darkness at Noon.

 

Wie wat woke is uiteraard verkrijgbaar in onze Doorbraak webwinkel.

 

Jean-Pierre Rondas