Wat een Vlaamse vertaler en schrijver in Nederlandse loondienst lijden kan

Dat veel Vlaamse schrijvers amper van hun pen kunnen leven, is al langer dan vandaag geweten. Maar wat dan gezegd van de Vlaamse vertalers die vergeleken met hun Nederlandse vakgenoten amper aan de bak komen?

Hondenstiel

In het nieuwste augustus-nummer van de lage landen wordt uitgebreid aandacht besteed aan het Vlaams-Nederlands grensverkeer na de val van Antwerpen tot vandaag. Hoe verging en vergaat het de zuiderse – zeg maar: Vlaamse – nieuwkomers bij onze Nederlandse noorderburen? Daarbij komen dus ook Vlaamse vertalers en auteurs aan het woord die, al dan niet residerend in Nederland, hun licht laten schijnen over de vaak lastige positie waarin ze met hun werk verkeren. Velen geven immers uit bij Nederlandse uitgeverijen en moeten dan ook goedschiks kwaadschiks naar de pijpen van de Nederlandse broodheren dansen.

Vertaler Miet Ooms is misschien het meest expliciet. Vlaamse vertalers hebben een hondenstiel. Om aan de sores van die vertalers iets te doen, werden onder impuls van de Taalunie zowel in Nederland als in Vlaanderen academische vertaalopleidingen opgestart. Ooms is benieuwd of die professionalisering van het vak de Vlaamse vertaler soelaas heeft gebracht. Bij gebrek aan onderzoek naar het lot van de vertaler – het meest recente dateert van 2008 – sloeg Ooms dan maar zelf de hand aan de ploeg. Ze enquêteerde daarbij niet alleen de vertalers zelf maar ook auteurs en lezers.

Krijg de tering

Bij de 25 gepeilde Vlaamse vertalers gaven er slechts 4 aan dat ze nooit opmerkingen kregen over hun gekleurd, Vlaams taalgebruik terwijl van de 51 Nederlandse vakgenoten er 41 van hen meegaven dat hun teksten probleemloos door de eindredacteurs worden aanvaard. Vijftien van de 25 Vlaamse vertalers kregen te verstaan dat hun teksten te ‘zuidelijk’ klonken terwijl slechts 2 op de 51 Nederlanders het etiket te ‘noordelijk’ kregen opgeplakt. Een van hen kreeg te horen dat hij niet ‘Randstedelijk’ genoeg vertaalde, wil zeggen: zich te weinig aanpaste aan het Amsterdams-Rotterdamse taaleigen. Kortom, zo Ooms, Vlaamse vertalers werken met de handrem op: ‘De norm voor vertalers is duidelijk: noordelijk en bij voorkeur Randstedelijk.’

Hoeft het dan te verwonderen dat tieners die van lezen houden liever het Engelse of Amerikaanse origineel tot zich nemen? De Vlaamse youngadult-recensente Audrey van den Bogaerde vertelt dat ze in haar leesclub genoeg hadden van het Nederlandse jongerentaaltje, genre ‘krijg de tering’, ‘kloteharses’ of ‘patatje mét’. Het is blijkbaar alleen gereputeerde Vlaamse vertalers, zoals Els Snick in het geval van Joseph Roth of Luk Van Haute die meestal de Japanse sterauteur Haruki Murakami in het Nederlands brengt, gegeven om min of meer ongestoord hun ding te kunnen doen. Van Haute merkt op dat Nederlandse vertalers vandaag zelfs een boontje hebben voor bepaalde ‘Belgisch-Nederlandse’ woorden, zoals het Vlaamse ‘vluchthuis’ bijvoorbeeld. Zijn Nederlandse vertaalcollega verkoos immers ‘vluchthuis’ boven het Nederlandse ‘blijf-van-mijn-lijfhuis’ omdat dit laatste te agressief overkwam voor het personage in kwestie. Maar één zwaluw maakt natuurlijk de lente niet.

Honderden opmerkingen

Vlaamse auteurs moeten in in tegenstelling tot de vertalers niet voortdurend op eieren lopen maar krijgen toch ook vaak te horen dat ze teveel Vlaamse woorden en uitdrukkingen gebruiken die de doorsnee Nederlandse lezer niet zou kunnen verstaan en dus niet lust. Romanschrijfster Sarah Meuleman die al twintig jaar in Amsterdam verblijft, geeft toe dat ze vroeger teveel toegaf aan de opmerkingen van haar Nederlandse redacteur maar nu vaker voet bij stuk houdt: ‘Die woorden zijn onderdeel van mijn taal-DNA.’

Ook Geert Buelens, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Utrecht én dichter, heeft al zijn deel gehad van redactionele inmenging: ‘Je gaat door redactierondes waarin je honderden opmerkingen krijgt over taalgebruik.’ En ook hij, zoals Meuleman, houdt meer en meer het been stijf: ‘Als ik het Vlaamse exploiteer, heb ik er geen zin in om het op te geven omdat het geen Algemeen Nederlands zou zijn. Wel als ik niet meer begrepen word, dan weegt de winst niet meer op tegen het verlies.’ Dat laatste was het geval toen hij voor zijn zelfgeschreven flaptekst bij zijn gedichtenbundel Ofwa de Vlaamse uitdrukking ‘onder je voeten krijgen’ op aandringen van zijn redacteur dan toch maar inruilde voor het Noord-Nederlandse ‘op je kop krijgen’.

Leids en Jordaans

Buelens heeft een broertje dood aan het Nederlandse taalimperialisme alsof de taalnorm in het Noorden de enige juiste taalvariant zou zijn voor de hele Lage Landen. Buelens: ‘Ik hoop dat we in de richting gaan dat we het Nederlands zoals het Frans in de francofonie als een internationale taal zien die niet afhangt van het land Nederland dat de norm stelt, maar waarin je een diversiteit hebt.’ Kortom, het Vlaams heeft zijn bestaansrecht, in vertalingen en originele teksten, meer dan vandaag het geval is. Maar omdat de boekenmarkt in Nederland en Vlaanderen nu eenmaal in handen is van grote Nederlandse uitgeefconcerns, blijft die conclusie voorlopig dode letter. Tenzij de vertaler of schrijver opereert binnen de stal van een kleinere Vlaamse uitgeverij natuurlijk.

In een ander boeiend artikel uit dit themanummer geeft de Nederlandse taalhistorica Nicoline van der Sijs tekst en uitleg bij haar stelling dat het Standaardnederlands altijd al minder zuidelijk is dan gedacht. Ja, er was een flukse instroom van Vlaamse migranten in de zestiende eeuw maar hun vooral Brabants-Antwerpse taaleigen, genre ‘bai mai’, ‘smert’of ‘weerd’ moest het afleggen tegen ‘bij mij’, ‘smart’ en ‘waard’. Het Vlaamse idioom bleef vooral behouden, zo Van der Sijs, in de volkstaal van het Leids en het Amsterdams Jordaans waar de zuiderlingen in gesegregeerde woonwijken werkten en leefden. Zo was in het Leids tot diep in de negentiende eeuw het Vlaamse ‘tet’ (vrouwenborst) te horen terwijl nog in de twintigste eeuw in de Jordaan oudere Amsterdammers ‘ier’ (hier) en ‘ulle’ (jullie, hun) in de mond namen.

Creatieve mengelmoes

Ooit pleitte de dertiende-eeuwse Brugse chroniqueur Jacob van Maerlant voor een creatieve mengelmoes van Nederlands en Vlaams: ‘Men moet om de rime souken, Misselike tonghe (verschillende talen) in bouken: Duuts, Dietsch, Brabants, Vlaemsch, Zeeus.’ Vandaag, zo Van der Sijs, gebeurt de wederzijdse taalbeïnvloeding vooral via de buis en YouTube. Nederlandse kinderen zeggen nu ook ‘zotteke’ omdat ze dat horen in de liedjes van K3 terwijl Vlaamse kinderen ‘doei’ zeggen of zelfs ‘jus d’orange’ omdat ze het ergens online oppikten in Nederlandse jeugdseries.

Frank Hellemans