Wat de echo van een radiostem vermag

Laat op de avond eergisteren verneem ik via het radionieuws dat Roger Simons is overleden. Het doet me wat. Het verleden verdringt het heden. Zijn stem treedt naar de voorgrond en ik hoor hem commentaar geven op feiten en toestanden in Groot-Brittannië en de restanten van het Britse  Rijk.

In de boeggolf ervan duiken gebeurtenissen op die invloed hadden op mijn leven. Dat zal niet alleen bij mij het geval zijn. Een radiostem, eerder dan een televisiestem, is een pijler van het geheugen. Dat is misschien niet meer zo voor de recente generaties maar wel voor de oudere. Toen de radiostem de enige rechtstreekse verbinding was met de buitenwereld. Wie van de derde en de vierde leeftijd herinnert zich niet de dwingende, scherpe stem van Winston Churchill?

De stem uit Amerika
De eerste radiostem die een blijvende indruk bij me heeft nagelaten, is deze van dichter en commentator Marnix Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris. Van 1940 tot 1964 woonde hij in New York en had verschillende officiële functies in dienst van de Belgische staat. Elke zaterdagavond bracht hij met een praatje van een vijftal minuten als De stem uit Amerika verslag uit over een Amerikaanse toestand, al dan niet in Belgisch verband.

Vaak hadden die praatjes een culturele aanleiding, nu eens op de achter- een andere keer op de voorgrond. Nogal wat Vlamingen keken de zaterdag uit naar dat praatje en waren aan de radio gekluisterd toen hij sprak. De kinderen moesten stil zijn. Mijn grootvader langs vaderskant wond de klok pas op ná de stem uit Amerika. Die nu eens met veel atmosferisch gepiep en van sterk naar zwak ging zoals een jojo.

Inhoudelijk en poëtisch

Ik was een puber toen ik Jan-Albert Goris leerde kennen. Jaren later ook als Marnix Gijsen. Niet zozeer zijn proza boeide mij, zijn poëzie daarentegen wel. Tot ik de kritieken van Paul van Ostaijen las op zijn gedichten. Toen ging ik ze inhoudelijk en poëtisch anders bekijken. Men wordt maar wijzer door de andersdenkende, zelfs al ben je het niet met hem eens.

Door Paul Van Ostaijens visie op Marnix Gijsen is hij van mijn poëzietroon gevallen. Al moet ik bekennen dat zijn vadergedicht me nog steeds imponeert en ik het uit het hoofd kan declameren. Het begint als volgt: ‘Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid. /Hij had den zware last op zich geladen, / een eerlijk man te zijn / in woord en daad / waar, na ons Here Jezus Christus, /de sterkste man aan ondergaat.
Het zou mij niet verbazen dat Jezus erbij sleurend de vrijzinnige Van Ostaijen een afkeer voor Marnix Gijsen kreeg. Want aanvankelijk waren zij vrienden.

Tranen over de wangen

Elke lezer van Doorbraak kent mijn grote liefde voor Willem Elsschot en diens werk. Wat die liefde versterkt heeft is zijn stem. Als Elsschot wat zei had het geen microgram twijfel. Bovendien zat er een zekere walg in voor al wie zich aanstelde, of de kunst niet genegen was, de klassieke muziek in het bijzonder. Telkens zijn dochter met pianobegeleiding liederen van Schubert zong, rolden er tranen over zijn wangen. Het z/w televisie-interview van Simon Carmiggelt met Willem Elsschot zal me altijd bijblijven.

Zowel de klank van diens Antwerpse dialect van de Markgravewijk als wat hij inhoudelijk zei sloegen bij me in als een bom. Dat ging zo:
Simon Carmiggelt: ‘Meneer Elsschot, u portretteert uw familie vaak hard in uw literaire werk. Heeft u daar nooit problemen mee gehad?
Willem Elsschot: ‘Mijn familie? Mijn familie… dat zijn analfabeten. Die lezen geen boeken.
Probleem weggeveegd ter waarde van de beroemde uitspraak van François Mitterrand: ‘Et alors?

Scherend langs de anglofiele humor
Een andere stem die tegen de wanden van mijn geheugen plakt is die van Gaston Durnez. Tijdens de grote doorbraak van het Nederlands/Vlaams chanson, tweede helft van de jaren zestig, heb ik hem cursiefjes horen voordragen op kleinkunstavonden. Ze werden overwegend gehouden in de parochiezalen, de voorlopers van de jeugdclubs en de culturele centra. De zachte, licht zangerige stem van Durnez imponeerde mij.

Maar naast de toon stond de teneur op gelijke hoogte. Wat een droge humor, scherend langs de anglofiele. Al zijn boeken heb ik met waarlijk genoegen gelezen, maar een dun boek van hem, uitgegeven door Lannoo in 2006, is me het dierbaarst, ‘De lach van Chesterton – Portret van een geestige pennenridder in gevecht met moderne draken.

Eerste ontmoeting
Gaston en uw chroniqueur kenden elkaar gedurende jaren oppervlakkig. Onze eerste ontmoeting dateerde van in mijn prille puberjaren, toen ik hem voor de schoolkrant interviewde. Hij woonde nauwelijks 500 meter van ons vandaan. Later, op een bijeenkomst, naderden we elkaar sterker. Halverwege het gesprek refereerde ik naar zijn Chesterton-boekje. Zijn gezicht vertrok, zijn blik ging de diepte in en hij zei: ‘Wat heerlijk dat je er naar refereert. Ik heb het zo graag geschreven. Jammer dat het nooit herdrukt is.

Gaston Durnez maakte ook gedichten, al vond hij ze maar amuse-bouche. Ik kan het niet laten een ervan op te nemen in dit stemmencircus. De lezer vindt het onderaan. Een ander literair amusement was het schrijven van grafschriften, zoals: ‘Past er / Aster / Berkhof / een kerkhof?

De stem van mijn moeder
Tot slot. Tot slot een stem waar ik naar teruggrijp wanneer ik er moreel nood aan heb: de stem van mijn moeder. Ze was zacht en al wat ze zei was gebouwd op voorzichtigheid. Ze wilde iedereen raad geven, haar kinderen voorop, zonder iemand ook maar een schram te bezorgen. Hoewel dochter van een rabiaat flamingant in Brussel, was ze naar een Franstalige school geweest. ‘Dat is goed voor de commerce, had haar vader gezegd. Hij had een bakkerij vlakbij de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Rijke-Klarenkerk.

Ik hoor mijn moeder, met haar grote liefde voor het Franse chanson en actrices als Simone Signoret, nog zeggen: ‘Le français, on le chante.  En waarlijk, als zij Frans sprak, klonk het muzikaal.

Waar zijn al die stemmen heen, waar zijn zij gebleven?

 

Ballade

 

Een elfje liep door Sprookjesland

met een twaalfje aan dr hand.

 

De elfenkoning zag hen gaan

en sprak de twaalf verbolgen aan.

 

Mijnheer, hoe waagt een twaalf als gij

te vrijen met een elf van mij?

 

Zo iets is hier nog nooit gezien,

zelfs met geen negen of geen tien!

 

De jongen zei: Vorst, permitteer

dat ik mij even opereer.

 

Hij sneed een stukje uit zichzelf,

toen was de twaalf nog slechts een elf.

 

De vorst schreed voort, hij was voldaan.

Het elfje zag haar jongen aan.

 

Het elfje zag haar jongen aan

en schreiend is het heengegaan.

 

Gaston Durnez

Guido Lauwaert