Waarom het met een Vlaamsere Dikke Van Dale maar niet wil lukken

Eerst het goede nieuws: de zestiende editie van de nieuwe Dikke Van Dale doet zijn epitheton alle eer aan en biedt zomaar eventjes 5.160 bladzijden taalplezier. Maar dan het minder goede: Vlaamse woorden, zoals ‘goesting’, worden steevast als Belgische informele spreektaal getypeerd. En Vlaamse auteurs, zoals Guido Gezelle, zijn in Hollandse traditie nog altijd Belgische auteurs. Het West-Vlaamse taalgenie draait zich om in zijn graf.

Vlaamsbelgisch

Toen het Nederlands woordenboek van de Zeeuws-Vlaamse schoolmeester Johan Hendrik van Dale in 1872 enkele maanden na zijn dood verscheen, klopte Van Dale zich postuum op de borst. Eindelijk werden ook de Vlamingen bediend en markeerde hij woorden, zoals ‘kabberdoes’, met het label ‘Zuidnederlandsch’ of ‘Vlaemsbelgisch’. Nu 150 jaar later vertellen de redacteurs van deze jubilieumeditie – van wie de vroegere onvolprezen VRT-taalbewaker Ruud Hendrickx sinds een tiental jaren de Vlaamse honneurs waarneemt – met enige trots dat de Dikke Van Dale sinds 2005 ‘steeds Vlaamser’ is geworden: ‘Nog nooit zijn de woorden en uitdrukkingen uit het zuiden van het Nederlandse taalgebied zo uitvoerig beschreven in dit woordenboek als nu’.

Maar wanneer onder de titel ‘Een Vlaamsere Van Dale’ de historiek van het Vlaams Nederlands in herinnering wordt gebracht, komt de aap uit de mouw: ‘Door het ‘vervlaamsen’ van de Dikke moesten de sprekers van het Belgisch Nederlands zich meer in het woordenboek herkennen.’

Belgisch Nederlands – lapidair afgekort BE – is het label dat steevast aan Vlaamse woorden wordt meegegeven. Het ‘Zuidnederlands’ van vroegere edities is gelukkig geschrapt. Maar aartsvader Van Dale had het met zijn ‘Vlaamsbelgisch’ nochtans al aangegeven. In het zuiden van de vroegere Nederlanden – in Vlaanderen dus – spreekt men Vlaams. Beide varianten – het Nederlands Nederlands en het Vlaams Nederlands– vormen samen de Nederlandse standaardtaal. Op de manier waarop het Iers, het Schots, het Welsh, het Australisch enzovoorts even valabele varianten van het Engels zijn en samen de Britse of Engelse standaardtaal uitmaken.

Belgische in plaats van Vlaamse auteurs

Hendrickx & co maken het zichzelf moeilijk door Vlaams als spreektaal te brandmerken – zie ook het citaat van hierboven – waardoor er geen Vlaamse schrijftaal in deze jubileumuitgave kan worden gepresenteerd. Nochtans zijn ook de kleine verschillen tussen de Nederlandse en Vlaamse schrijftaal legio. Vraag het maar aan Vlaamse schrijvers, zoals Leo Pleysier, Erik Vlaminck, Walter Van den Broeck en ook Tom Lanoye, die tegen hun Nederlandse eindredacteurs in, het been stijf hielden om Vlaamse woorden, zoals ‘kozijn’ (familielid) bijvoorbeeld in gedrukte versie van hun romans in te ruilen voor een (Noord)Nederlandse versie.

Toen ik veertien jaar terug vier jaar in de AKO-jury zetelde – nu omgedoopt tot Boekenbon Literatuurprijs – moest ik mijn Nederlandse confraters steevast uitleggen dat we Nederlandse en Vlaamse schrijvers bekroonden, niet Nederlandse en Belgische, zoals zij graag verkondigden. Er bestaat nu eenmaal geen Belgische taal, laat staan dat er Belgisch gesproken worden.

Er bloeide ooit inderdaad een Belgische literatuur ‘d’origine francophone’ in Vlaanderen. Onder die noemer maakten meer dan een eeuw geleden Franstalige Belgische coryfeeën, zoals Charles ‘Uilenspiegel’ De Coster, Nobelprijswinnaar Literatuur Maurice Maeterlinck en meester-dichter Emile Verhaeren, het mooie weer in het buitenland, waar ze als Belgische auteurs werden gepercipieerd. Door vandaag in de Dikke Van Dale Belgische auteurs in plaats van Vlaamse te vermelden, lopen de lexicografen dus maar eventjes honderd jaar achter.

Langste woord

Enig voortschrijdend inzicht mag de makers van deze nieuwe editie echter niet worden ontzegd. Als besluit bij hun beschouwing over de zogezegd Vlaamsere Van Dale, slaan ze in zekere zin mea culpa: ‘Een woordenboek is echter nooit af. Ook vandaag is het vervlaamsen van het woordenboek nog steeds aan de orde. Er zijn tientallen citaten van hedendaagse, Vlaamse auteurs toegevoegd. Maar het mogen er gerust nog wat meer worden.’ Hola: ‘Vlaamse’ auteurs dus toch. Deze eenmalige lapsus belooft voor een volgende editie hopelijk beterschap. Schrap dan ook tegelijk de benaming Belgisch en maak er ondubbelzinnig Vlaams van. Johan Hendrik zal u dankbaar zijn, en vele Vlaamse sprekers, schrijvers en taalgebruikers met hem.

Ondertussen valt er, zoals gezegd, heel wat te beleven in dit boek der boeken. Honderdvijftig korte taalverhalen over diverse aspecten van het Nederlands – en het Vlaams – bevatten fascinerende inzichten. Weet u wat het langste woord in het Nederlands is bijvoorbeeld? Nee, samenstellingen met een koppelteken tellen niet mee. ‘Burgerlijkeaansprakelijkheidsverzekering’ met zijn veertig tekens wint de race.

Dikastocratie

En dat ook vergeten groenten zo hun geschiedenis hebben is mooi meegenomen. Pompoen werd tot na de Tweede Wereldoorlog simpelweg als varkenskost omschreven en dus niet als smeuïg smakende groente. Sommige groenten zijn trouwens echt vergeten, zoals patiëntie of patiëntiekruid, een zuringsoort die aldus de voorbeeldzin, ‘dient als groente, doch niet onschadelijk is voor de gezondheid’.

En natuurlijk zijn er talrijke nieuwe woorden, ontleend aan de wondere wereld van het internet, de technologie en de politiek. Zelf had ik nog nooit gehoord van ‘dikastocratie’ of rechtersstaat. In een blauw kleurtje wordt telkens de etymologische oorsprong van het woord in kwestie meegegeven. In dit geval dus een contaminatie van het Griekse ‘dikastes’ of rechter en ‘aristocratie’.

De activitistische rechters over wie vandaag zoveel te doen is, kregen dus al een speciale vermelding. Of het homonieme Engelse ‘dick’ hier ook meespeelt, is waarschijnlijk een onbedoelde woordspeling.

Gezocht: leeslinten

En ja, het ‘Vlaamsbelgische’ kabberdoes waar Van Dale zijn lezers al attent op maakte, was een doorelkaarhaspeling van het Franse ‘cabaret’ en het cijfer ‘douze’ (de optelsom van de ogen van beide dobbelstenen waar in de kroeg wel eens mee werd gegokt). In dit geval wordt zelfs de première van het eerste taalkundige gebruik meegegeven: 1872. Inderdaad, het jaar waarin de eerste echte Van Dale werd gepubliceerd.

Tot slot. Was het echt teveel gevraagd om in de drie delen één of liefst twee leeslinten aan te brengen? Nu moet de logofiel – een woord dat Van Dale niet kent trouwens – zelf zijn leeskaartjes tussen de bladzijden proppen die er dan weer tussenuit vallen. Je zou voor minder ezelsoren maken in een boek.

Frank Hellemans