Waar zijn de literaire cafés met Toots Thielemans en gogogirls gebleven?

Remco Campert was er ooit kind aan huis. En dichters als Paul Snoek, Patrick Conrad en H.C.Pernath kwamen er geregeld over de vloer. Die laatste maakte er zelfs een dodelijke val. En ja, ook Hugo Schiltz en Henri-Floris Jespers frequenteerden de Antwerpse privéclub Vecu van 1961 tot 1983. Je zou warempel heimwee krijgen naar de tijden toen schrijvers, plastische kunstenaars, muzikanten en jan modaal elkaar nog tegenkwamen in etablissementen als de Antwerpse Vecu, het Brusselse Goudblommeke in Papier of de Mechelse Herten Aas.

Smaak en kraak

Doorbraak-medewerker Manu van der Aa, biograaf van onder anderen Alice Nahon en Paul-Gustave van Hecke, bereidt een boek voor over Patrick Conrad en de legendarische Pink Poets. Deze precieuze dichters, met Nic van Bruggen en Conrad als dandyeske boegbeelden, maakten vanaf 1972 van het zoldercafé in de Antwerpse Moriaanstraat the place to be voor al wie literatuur, kunst én gezelligheid hoog in het vaandel voerde. In het jongste nummer van Zuurvrij van het Antwerpse Letterenhuis geeft Van der Aa met een minigeschiedenis van de gereputeerde club, al een inkijk in het reilen en zeilen van een van de literair-culturele hotspots van het Antwerpen in de jaren ’60 tot ’80.

Vecu was een nogal pompeus klinkend letterwoord dat voluit voor ‘Vereniging voor Europese Cultuur Uitwisseling’ stond en dat in de praktijk vanaf de oprichting ervan in 1961 vooral op een excentrieke, pseudo-aristocratische manier het Antwerpse literaire en artistieke leven meer smaak en kraak wou geven. Geleidelijk aan groeide Vecu uit tot een hotspot voor nieuwe literatuur, jazz en plastische kunsten. Simon Vinkenoog was er al snel te gast en ook Remco Campert, die enkele jaren in Antwerpen woonde, kwam er vaak langs. Mik Le Bon, een van de stichters, was trouwens de broer van filmregisseur Patrick Le Bon die met films als Zaman en Hellegat de Vlaamse nouvelle vague in de cinema in de jaren ’70 en ’80 mee gestalte gaf.

Poëtische popsterren

De zestiger en zeventiger jaren waren de hoogtijdagen voor dergelijke literair-artistieke cafés. In Gent was er de Hotsy Totsy-club van de clan Hugo Claus die er door zijn boekvoorstellingen een literair patina aan gaf. In Brussel was Goudblommeke in Papier de ankerplaats voor jonge literaire hemelbestormers. Het tijdschrift Tijd en Mens met literatuurpaus Jan Walravens hield er zijn redactievergaderingen. Claus zou er zijn eerste huwelijk met Elly Overzier vieren. Ook Jeroen Brouwers kwam er in zijn Manteau-periode geregeld langs. Hij leerde er Anne, de dochter van Walravens kennen, die later op 23-jarige leeftijd uit het leven zou stappen. In Mechelen maakten Herman de Coninck en boezemvriend Piet Piryns van de Herten Aas een cultcafé. En in Antwerpen was er dus ‘de’ Vecu, zoals ik hem zelf nog heb meegemaakt.

Toen in 1972 de Pink Poets Vecu als uitvalsbasis kozen, werd het ook een druk gefrequenteerde ontmoetingsplaats voor le tout Anvers littéraire, zoals de francofiele flamingant Jespers graag zei. H.C.Pernath en Paul Snoek werden samen met Van Bruggen en Conrad poëtische popsterren die in smoking het publiek epateerden met maniëristische, langoureuze verzen vol ronkende diepzinnigheid.

Toen in 1975 Pernath een doodssmak maakte op de trap van het café, deden er zelfs roddels de ronde dat hij in beschonken toestand er door een jaloerse collega misschien van af geduwd was. Guy Prieels alludeerde er in zijn debuutroman Duisterlicht op. Maar iedereen ging er van uit dat de toen amper 43-jarige Pernath, neef van Walter van den Broeck trouwens, door een herseninfarct werd geveld.

Zinderende zomerhappenings

De jaren ’70 waren de gouden Vecu-jaren. Naast de Pink Poets streek ook Tony Rombouts er neer met zijn privé-uitgeverij Contramine die onder andere Lucienne Stassaert in de aanbieding had. Rombouts ging in een spitse stijl het driemaandelijkse huisblad Vecu-Express uitgeven. Financiële inbreng van de kapitaalkrachtige diamantair Staf Breugelmans en andere captains of industry zorgde ervoor dat ook jazziconen hun weg vonden naar de Antwerpse Vecu: van Toots Thielemans tot Roland, van Jack van Poll tot Art Farmer. Er werden zinderende zomerhappenings georganiseerd waarin topless gogogirls schitterden naast de legendarische krachtpatser en ‘tandatleet’ John Massis. En ook de Strangers waren welkom. ‘Voor niet-Antwerpenaars zijn deskundige tolken ter beschikking’, heette het in de uitnodiging.

Ook buitenlandse literaire grootheden, zoals de absurdistische theatermaker Eugène Ionesco, deden er hun ding. Ionesco was een stand-up comedian avant la lettre die met zijn laconieke en inderdaad vaak absurde humor iedereen aan het lachen kon brengen. En Harry Mulisch deed er enkele keren acte de présence. Conrad leidde hem er ooit in na een exclusief door Breugelmans gesponsord dinertje te hebben genoten in La Pérouse. Mulisch, zo Conrad, was toen bij het dessert met niets minder dan een Chateau d’Yquem 1966 tevreden, en zo geschiedde. Als aandenken kreeg hij van Mulisch het etiket van de fles cadeau, gesigneerd door de meester: ‘Voor Patrick. Dit is het grote leven! H.M.’

Mooie gekwetste zielen

Vanaf de jaren ’80 kwam de klad erin. En dat gold trouwens niet alleen voor Vecu maar ook voor de andere hier vernoemde cultcafés. Het knotsgekke, exuberante artistieke partyleven had zijn beste tijd gehad en doofde uit. Ja, in bruine cafés, zoals De Kat op de hoek van het Antwerpse Conscienceplein, kon je nog dichter Leonard Nolens en filmlegende Nicole Van Goethem hun roes zien beleven maar dat stond mijlenver van de spetterende salonbacchanalen van Vecu.

Dat de barkeeper in Vecu een schuldenput achterliet en de verhuurder op zijn geld moest wachten, leidde tot de fatale implosie in 1983. Een tentoonstelling met aquarellen van dubbeltalent Jan Vanriet in juni 1984 was de laatste stuiptrekking van de Antwerpse literair-artistieke kunstscène rond Vecu. Fernand Auwera bracht nog een bibliofiel boek uit met de waterverfportretten van Vanriet onder de titel Mooie, gekwetste ziel. En toen viel definitief het doek over het Antwerpse paradijs voor mooie gekwetste zielen.

Frank Hellemans