Twee dubbellevens van dubbelvrouw Hella Haasse en dubbelman Marnix Gijsen

In februari verschijnen er kloeke bio’s van Hella Haasse en Marnix Gijsen. Dat de schrijver Gijsen als publieke ambtenaar Jan Albert-Goris een dubbelbestaan leidde, is niets nieuws. Maar dat Haasse in haar privéleven zich van kinds af eenzaam voelde en later niet direct gelukkig was met haar rol van huismoeder, wordt nu pas duidelijk.

Eeuwige buitenstaander

Leven in de verbeelding heet de biografie van Aleid Truijens over Hella Haasse die op 1 februari is verschenen. In 600 bladzijden krijgt la grande dame van de Nederlandstalige verhalende literatuur eindelijk haar eerste volwaardige bio. En wat blijkt? De titel van Truijens’ kroniek mag je in het geval van Haasse best letterlijk nemen. Sterker nog. Haasse die op 93-jarige leeftijd in 2011 overleed, leefde alléén in de verbeelding van haar hoofdpersonages. Hoofdpersonages die haast altijd als buitenstaander fungeren, zoals Haasse zich dus in het echte leven voelde.

Al van bij haar geboorte was ze voorbestemd om anders tegen het leven aan te kijken. Ze groeide op in Indonesië, in het huidige Jakarta. Maar wegens een slepende ziekte van haar moeder verbleef ze ook jarenlang bij haar Nederlandse grootmoeder in Heemstede of in een Nederlands kinderpension in Baarn. Als kind heeft ze toen allicht die aparte sensibiliteit ontwikkeld van de outsider die er het zijne van denkt én die tegelijk ook een rijke verbeeldingswereld cultiveert om zich thuis te voelen in een vreemde omgeving.

Gezeur over Grote Drie

Truijens kon voor deze biografie beroep doen op de medewerking van Haasses familie en kreeg daarbij toegang tot haar correspondentie. Daarin wordt zonneklaar dat Haasse ook als succesvolle schrijfster gevangen zat in haar rol als echtgenote en huisvrouw. Terwijl ze als schrijfster in de media en tijdens optredens flamboyant uit de hoek kon komen, was Haasse thuis zeer eenzelvig. Truijens in een interview met het tv-programma Nieuwsuur op NOS: ‘Het gewone gezinsleven vond ze een opgave. Natuurlijk deed ze haar best voor de kinderen, maar ze was minder bereikbaar. In de speeltuin had ze bijvoorbeeld altijd een notitieboekje bij zich.’

Als belangrijkste Nederlandstalige schrijfster van de voorbije eeuw – met onsterfelijke historische romans als Oeroeg (1948), Het woud der verwachting (1949), De scharlaken stad (1952) en Heren van de thee (1992) – vond ze het beneden alle peil dat ze als huisvrouw-schrijfster steeds moest aanschuiven achter de Grote Drie (W.F.Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve). Truijens: ‘Dat gezeur over die Grote Drie. Je had ook nog Wolkers, Campert en Nooteboom, dan een hele tijd niets en dan pas kwam Hella Haasse. Ze werd door die mannen niet echt als concurrent beschouwd.’

Geen lachebekjes

Ellen, een van haar beide dochters, herinnert zich nog scherp hoe anders en gevat de publieke schrijfster Haasse op tv overkwam, vergeleken bij Hella’s moederschap thuis: ‘Ze was dol op publiek en genoot daar ontzettend van. Dan werd ze opeens een ander mens. Mijn zusje en ik waren stomverbaasd toen we haar voor het eerst zagen optreden in het satirische programma Hou je aan je woord. We konden nauwelijks geloven dat die mooie geestige vrouw vol kwinkslagen onze moeder was. Hoe meer het publiek haar bewonderde, hoe groter onze irritatie werd.’

Dat auteurs privé in de regel geen lachebekjes zijn, is alom geweten. Toch blijft het frappant hoe Haasse dus blijkbaar vluchtte in haar schrijverij en in haar artistiek medeleven met vereenzaamde hoofdpersonages, zoals de onvergelijkelijke 15de-eeuwse politicus-dichter Charles d’Orléans in Het woud der verwachting. D’Orléans wordt vermalen in het conflict tussen de Franse Armagnacs en Bourgondiërs en raakt uiteindelijk in Engels gevangenschap tijdens de Honderdjarige Oorlog. Paradoxaal genoeg komt hij tijdens die kwarteeuw van eenzame opsluiting met zichzelf in het reine: hij begint te dichten en vindt eindelijk rust. Zelfportret van de artieste als jonge vrouw?

Dubbelman

Dat schrijvers niet samenvallen met hun dagelijks persoontje is de reden dat menig auteur een nom de plume verkiest. Kwestie van privé en werk gescheiden te houden, zeg maar. Haasse verkoos dit niet te doen. En vandaar dus een zekere verwondering over het aperte verschil tussen beide persona’s in Haasses geval. Goed dat Truijens in Leven in de verbeelding dus eindelijk een inkijk geeft in die discrepantie waaronder de schrijfster leed.

Marnix Gijsen koos al snel voor zijn schrijversnaam. Jan-Albert Goris ambieerde in het ‘normale’ leven als doctor in de letteren een heel andere carrière dan het ‘buitennormale’ schrijversleven van zijn alter ego Gijsen. Hij floreerde als ambtenaar in de cenakels van de Belgische administratie en scheidde beide werelden perfect van elkaar zonder dat dit voor hem een levenslang probleem werd, zoals bij Haasse. Integendeel, Bert Govaerts laat in zijn biografie Dubbelman zien hoe cassant en spiritueel Goris als ambtenaar op het letterenleventje reageerde.

Iets van niets

Er werd hier al verwezen naar de door Govaerts gedocumenteerde manier waarop Gijsen zich ontwikkelde van antisemiet tot jodenvriend. Gijsen-biograaf Govaerts duikelt in het december-nummer van Zuurvrij met toestemming van de erven Gijsen een brief op uit de rijke correspondentie van Goris op het moment dat hij in New York in augustus 1963 commissaris was van de Belgische voorlichtingsdienst. Hij richt er zich tot Paul-Henri Spaak, de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken die hem in een zending attent had gemaakt op Een eiland worden, het romandebuut van de jonge Paul de Wispelaere uit 1963. Kwestie van het ook in Amerika ruchtbaarheid te geven?

Hilarisch hoe ambtenaar Goris in zijn rol van literair adviseur de eersteling van zijn concurrent eigenlijk afbrandt. Tegenover Spaak geeft Goris toe dat schrijver De Wispelaere ‘wellicht wel de meest begaafde van zijn generatie’ is. Om hem vervolgens neer te sabelen: ‘Hij heeft de kunst om van niets iets te maken, hij kan (…) een uiterst banale ervaring glans (…) geven.’ Het hoofdpersonage Filip Eiland, zo Goris, wil het met een getrouwde vrouw aanleggen en belandt na veel vijven en zessen met haar in bed. Maar de ontgoocheling is navenant. Goris: ‘Dat een man zich in (…) een vrouw vergist, is een uiterst vulgaire en dagelijkse gebeurtenis.’

Modieus scatologisch

Goris komt pas echt op dreef als hij De Wispelaere ‘de huidige mode van het eroto-faecalisme’ aanwrijft. Lang voor Herman Brusselmans dus, laat De Wispelaere te pas en te onpas de broek zakken van zijn personages om zich te ontlasten, winden te laten en andere scatologische prestaties te noteren. Vandaar dat Goris-Gijsen zijn epistel aan Spaak besluit met een ‘ietwat laag bij de grondse’ humoristische limerick, ter lering en vermaak aan De Wispelaere (en Spaak?):

‘Er was een mijnheer in Castillië

Die was van zoo’n fijne familje

Dat als hij liet een scheet

Wat hij vrij dikwijls deed

Dan rook heel zijn paleis naar vanilje.’

Frank Hellemans