Stond Guido Gezelle aan de verkeerde kant van de geschiedenis?

Eerst het goede nieuws: eindelijk nog eens een uitgebreide studie van het weergaloze werk van priester-dichter Guido Gezelle. Maar dan het minder aangename: wat heeft deze taalkunstenaar hors catégorie filoloog Julien Vermeulen aangedaan dat hij hem quasi met de grond gelijk maakt?

Toxisch klimaat

Vermeulen is een notoire Gezelle-expert. Met Gezelle in context: taal, macht en identiteit (uitgegeven door de Guido Gezellekring) maakt hij nu een synthese van zijn inzichten, aangepast aan de nieuwste literatuurtheoretische inzichten. En daarbij gaat hij meer dan eens zwaar uit de bocht. Als hij bijvoorbeeld dieper ingaat op Gezelles contacten met jonge scholieren als twintigjarige leraar aan het Roeselaarse Klein-Seminarie, heet het dat Gezelle daarmee aan de basis lag van ‘een toxisch klimaat dat haaks stond op een gezond pedagogisch klimaat’. Conclusie: ‘Als collectief tekstcorpus oefende zijn oeuvre lang een reactionaire en stabiliserende functie uit. (…) Ook al maakt één van zijn bundels nog steeds deel uit van de literaire canon, toch veronderstelt de lectuur van zijn poëzie bij veel lezers een stevige vorm van cognitieve dissonantie.’ Nou moe, nog even wachten en ze flikkeren na Jef Geeraerts ook Gezelle met zijn Rijmsnoer uit het literaire pantheon.

Nochtans heeft Vermeulen als filologische veldwerker heel wat te bieden. Blijkt bijvoorbeeld dat de inventaris van de 150.000 steekkaarten met aparte Vlaamse woorden uit Gezelles Woordentas door Gentse gevangenen werden gekopieerd, en hier en daar zelfs aangevuld. Ook zijn speurwerk naar de manier waarop de twintigjarige Gezelle zijn jonge préférés, zoals Eugeen van Oye, benaderde, spreekt boekdelen. Van Oye was zijn bekendste lievelingspupil. Aan hem droeg hij ‘Dien avond en die rooze’ op. Hij was — zo Vermeulen – één van de velen die Gezelle via heimelijk toegestopte briefjes, advies van de biechtvader tot en met schouderklopjes naar zich toe trachtte te halen.

Niet zegenen noch de hand drukken

Gezelle vroeg zelf aan de directeur advies hoe hij moest omgaan met een ‘ami intime’. Daarop repliceerde deze dat hij bij zijn avondlijke ronde in de slaapzaal beter niet meer halt hield bij het bed van zijn jonge vriend. En dat hij hem best evenmin kon zegenen of de hand drukken. Vermeulen is trouwens formeel dat er in het geval van Gezelle geen bewijsmateriaal voorligt voor ‘geconsumeerde homoseksuele verhoudingen’. Na Gezelle’s overplaatsing naar Brugge en Kortrijk ging hij zich meer en meer profileren als journalist voor de katholieke zaak. Ook wist hij zich in de lokale gemeenschap in te schrijven als ideale gelegenheidsdichter en graag geziene societyfiguur in de kringen van plaatselijke notabelen.

Artificiële bloemen

Wanneer Vermeulen zijn literatuurtheoretische inzichten op Gezelles werk projecteert, loopt het vaak mis. Zijn contacten met Van Oye, bijvoorbeeld, waren allicht ‘grensoverschrijdend’. Toch kaderden ze ook en vooral in Gezelles kruistocht voor een authentieke Vlaamse spreekliteratuur die overbodige literaire maniërismen zou wegblazen. Wat in Engeland en Duitsland met de romantische terugkeer naar de volksliteratuur al zestig jaar eerder was gelukt, trachtte Gezelle haast op zijn eentje te bewerkstelligen. Getuige onder andere een passage uit een brief aan Van Oye uit 1858. Daarin geeft hij hem in die geest schrijfadvies: ‘(…) wat is onze litteratuur tenzy een aerdig iets een handvol laet my het zeggen artificiele bloemen byeen geflikt door eenthoeveel mannen zonder studie (…).’

Een andere Gezelle-kenner, Piet Couttenier, heeft terecht herhaaldelijk de aandacht gevestigd op die vernieuwende, zelfs experimentele Gezelle. In ‘Een bonke keerzen’ — een tros kersen — richt de priester-dichter zich ook tot zijn lievelingsleerling Van Oye. Hij laat daarbij typografisch op zijn Van Ostaijens de beginverzen van het gedicht in de vorm van een tros over het blad uitwaaieren. De sonore euforische klankrijkdom loopt vooruit op wat de literaire avant-garde decennia later zou proberen. Namelijk via de autonomie van het woord de contrasterende rijkdom van het volle leven doen opklinken.

Een bonke keerzen kind!

Een bonke keerzen kind,

Gegroeid in den glans

Van ‘t goudene licht

Des zomers!

Vol spannende zap!

Vol zoet,

Vol zuer

Vol zypelende zap,

Vol zoetheid.

Onaangename Leiegeur

Gezelle was immers niet alleen een romantisch-christelijke traditionalist. Hij was ook een vernieuwer. En wat voor een. Zelfs Rainer Maria Rilke geraakte onder de indruk van Gezelles taalmeesterschap. Met het ene been stond Gezelle literair gezien in het conservatieve kamp, maar met het andere in het progressieve. Vermeulen maakt het zich dus te makkelijk om hem via ideologiekritische bemerkingen helemaal in de vermaledijde hoek van het katholiek-conservatieve establishment te duwen. ‘Maar anderhalve eeuw na Gezelles overlijden reveleren zijn identiteitsvormende attitudes en de postume beeldvorming dat de dichter uiteindelijk aan de verkeerde kant van de geschiedenis bleek te staan.’ Over tunnelvisie gesproken.

Zelfs de natuurpoëzie van Gezelle, met de Leie vaak in de hoofdrol, moet het ontgelden. Bij een onderschrift van een foto die de Leie in het Kortrijkse toont, noteert Vermeulen: ‘De Leie, vaak geïdealiseerd door Gezelle, was in feite een industriezone waar de roterij van het vlas de hele zomer voor een onaangename geur zorgde.’

De échte, geniale Gezelle

Wie de échte, geniale Gezelle wil leren kennen, moet hardop zelf zijn gedichten laten rondzingen. Net zoals je dat doet met sonnetten van William Shakespeare. Of met de elegische gedichten (‘Brod und Wein’) van Friedrich Hölderlin. Zoals zijn beide voorgangers probeerde Gezelle de schrijftaal te dynamiseren door ze te injecteren met de gesproken (volks)taal. Zegge en schrijven vijftien jaar voor Rimbauds ‘Voyelles’, waarin de Franse dichter-ziener de klankkleur van Franse klinkers op een rijtje zette, hield Gezelle al in 1858 een voordracht over taalstudie. Daarin analyseerde hij het coloriet van kinderlijke woordjes als ‘ling ling’, ‘ket ket ket’ of ‘bouf bouf’. En interessant genoeg is voor Gezelle — zoals later voor Rimbaud — de i-klank rood en de e-klinker wit.

Hoog tijd dus dat een bevlogen filoloog het recept van die woordmuziek probeert te reconstrueren. En dat die daarbij tussen de versregels door ook maatschappelijke ontwikkelingen laat doorschemeren. Walter Benjamin heeft dat proberen te doen met de poëzie van Charles Baudelaire. Hij wist via subtiele interpretaties de opkomst van de massamaatschappij en industriële samenleving in Baudelaire’s gedichten te herkennen. Niet alleen via Baudelaires beeldspraak, maar ook in het staccatoritme herkende Benjamin de schok- en impulsbeleving die zo typisch is voor de moderne manier van waarnemen in al haar facetten.

Erkenning

In afwachting daarvan blijft de biografie Mijnheer Gezelle van Michel van der Plas de perfecte inleiding voor wie meer wil weten over de mens én woordkunstenaar Gezelle. Piet Couttenier weet, zoals gezegd, de totale Gezelle — conservatieve traditionalist én bevlogen vernieuwer — uitstekend te documenteren in Alles is taal geworden. Je moet er dan wel de hele 19de-eeuwse geschiedschrijving van de Vlaamse én Nederlandse literatuur op de koop toe bijnemen. Maar dat is zeker geen straf. Wel integendeel. Het boek werkt als een eye opener. Couttenier: ‘Toch mag men zeggen dat de Vlaamse literatuur in België in de periode 1860-1900 erkenning krijgt.’ Nu ook nog anno 2021 graag.

Frank Hellemans