Nescio wist het beter

Nescio, alias J.H.F. ‘Frits’ Grönloh, wist met een oeuvre van slechts enkele tientallen pagina’s terecht een plaats in de literaire canon te veroveren. Met De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918) leverde hij drie zo goed als volmaakte novellen af. In 1918 werden ze voor het eerst gebundeld en onlangs verscheen de 45ste druk. Wat Nescio nadien nog schreef en publiceerde, haalde niet hetzelfde niveau. Het postuum uitgegeven Natuurdagboek – waarin de auteur onder meer vertelt dat hij hier of daar een merel hoorde fluiten of met zijn linkervoet in een gracht is gestapt – lijkt mij alleen voer voor hardcore Nesciofielen.

Wie was Nescio?

Lange tijd was Nescio’s naam een omen. Weinig lezers wisten immers wie de man was die achter het pseudoniem, dat ‘ik weet (het) niet’ betekent, schuilging. Lieneke Frerichs, die zich al meer dan 30 jaar met de auteur en zijn werk bezighoudt, brengt daar met een lijvige biografie ‘Nescio. Leven en werken van J.H.F. Grönloh‘ eindelijk verandering in.

Nescio’s levensloop vertoont enige opvallende overeenkomsten met die van Alfons de Ridder, alias Willem Elsschot, eveneens auteur van een beperkt maar gecanoniseerd werk. De Nederlander werd in hetzelfde jaar, 1882, geboren en ontpopte zich (zoals De Ridder) tot een succesvol zakenman. Gronlöh werd namelijk directeur van Holland-Bombay Trading Company. Voor beide auteurs was de schrijverij een nevenactiviteit en van het literaire leven hielden ze zich zo goed als afzijdig. Maar daarmee houden de overeenkomsten ongeveer op.

Idealistische jeugd

Frerichs besteedt de eerste 200 bladzijden van haar boek aan de jeugd van Grönloh, toen hij idealen en ideeën aanhing die aanleunden bij het communeleven zoals Frederik van Eeden dat in zijn socialistische kolonie ‘Walden’ probeerde te realiseren. Alleen bleef het bij Grönloh, een paar halfslachtige pogingen niet te na gesproken, vooral bij de theorie. Hij ging dus gewoon in een kantoor werken en steunde de ‘goede zaak’ in geschrifte en met geregelde donaties.

Hoewel enkele vrienden en kennissen uit deze periode waarschijnlijk model hebben gestaan voor personages in de drie beroemde novellen, is de aandacht die Frerichs aan deze jaren besteedt buitensporig. Wat heeft de lezer eraan te weten dat een van die oude vrienden, een zekere H.W. Rombout in 1918 zelfmoord pleegde op West-Java en dat zijn nalatenschap bestond uit ‘familiepapieren, een horloge met ketting, een aantal eretekens en een bedrag van ƒ 258,97’? Alle relevante informatie van de eerste zes hoofdstukken had perfect in 25 bladzijden kunnen gebracht worden.

Koekebakker

Pas vanaf hoofdstuk zeven, ‘De geboorte van de uitvreter’, wordt het boeiender. Grönloh is ondertussen getrouwd en vader van twee dochtertjes. Als groot natuurliefhebber trok hij er geregeld voor een paar dagen alleen op uit. Het is tijdens een van die uitstapjes naar Veere dat De Uitvreter ontstond. Al zou Gronlöh nog wel een paar jaar schaven aan het verhaal met de sublieme openingszin: ‘Behalve den man, die de Sarpathistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Uiteindelijk verscheen de novelle in januari 1911 in De Gids. Gelukkig had iemand er hem ondertussen van weten te overtuigen niet langer het pseudoniem ‘Koekebakker’ te gebruiken.

De bevalling van de twee volgende verhalen viel even zwaar. En hoewel Nescio altijd erg bescheiden deed, was hij zelf, ondanks de aanvankelijk lauwe ontvangst, overtuigd van de grote kwaliteiten van zijn werk.

Bereisd maar bekrompen

Het typeert Nescio dat hij opzag tegen de zakenreizen die hij voor zijn bedrijf moest maken. Hij reisde Europa door, was ook in Noord-Afrika, maar alleen aan de lange, voor die tijd toch wel spectaculaire reis naar Brits-Indië, wijdt de biografe een volledig hoofdstuk. Niettegenstaande Nescio een bereisd man was, was zijn visie op de wereld erg bekrompen. Van de inlanders moest hij niets hebben. Op een gegeven moment luidt het in een brief aan het thuisfront: ‘Mijn afkeer voor inlanders is nu compleet […] ik voelde mij zelf vernederd en had er graag een neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet. […] Ik zal blij zijn als ik dat zootje niet meer om me heen heb.’

Een beetje zielig en meelijwekkend wordt het wanneer hij in Calcutta op 8 januari zijn ‘kerstpakje’ uit Nederland krijgt, met fotootjes, amandeltjes en een kerstboompje, en ’s avonds in zijn verduisterde kamer de kaarsjes in de kerstboom aansteekt en erop zit te kijken tot ze opgebrand zijn. Een groot avonturier school er niet in hem.

Vijf dingen die de moeite waard zijn

Hoe Nescio in het leven stond, wordt duidelijk in zijn opsomming ‘in volgorde van belangrijkheid’ van dingen die de moeite waard zijn: ‘Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods’.

Hieruit blijkt dat Nescio alles graag klein en overzichtelijk hield. Hij voelde zich ook het best wanneer hij op bekend terrein kon wandelen en mijmeren, liefst alleen. En wat de vrouwen in zijn leven betreft: dat bleef volgens deze biografie beperkt tot zijn echtgenote, die hij ‘Ossi’ noemde, en zijn dochters. Nochtans had hij ooit in een zakboekje geschreven dat ‘het overspel de natuurlijke en zelfs de redelijke aanvulling van het huwelijk’ is. Volgens de biografe hield hij het echter alleen bij kijken naar ‘blote benen en opwaaiende zomerjurken’. Werkelijk?

Pretentieus pretentieloos

Hoewel onder meer Menno ter Braak in de jaren dertig al geprobeerd had om het werk van Nescio meer bekendheid te geven, rees zijn ster pas ruim na de Tweede Wereldoorlog naar het literaire zenit. Nescio liet zich die belangstelling graag aanleunen, al pleitte hij in interviews steeds tegen ‘aanstellerij’ en voor gewoon doen. Daarmee suggereerde de auteur dat hij die eigenschappen zelf bezat, wat de interviewers graag beaamden. Misschien is het omdat Frerichs te ruim citeert, maar op mij hadden die uitspraken een averechts effect. Nescio’s pretentieloosheid krijgt zo net iets erg pretentieus, alsof hij de enige was die het begrepen had.

Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit een brief waarin hij ingaat op een artikel waarin hij de allerbeste Nederlandse verhalenschrijver van de twintigste eeuw werd genoemd: ‘Telkens merken ze iets meer! Zullen nog wel meer merken mettertijd, ze zijn er nog niet. Ik heb dit al meer dan 30 jaar geweten, maar ja, je wacht tot een ander het zegt.’ Het mag niet verbazen dat enkele van zijn kleinzonen hem ‘een enorme egoïst’ en ‘een arrogante man’ noemden.

Dat Nescio enkele van de beste verhalen geschreven heeft die ooit in ons taalgebied zijn verschenen, staat buiten kijf. Wie nieuwsgierig is naar de man achter het werk, komt met deze biografie ruimschoots aan zijn trekken – al blijkt die man veel minder interessant en sympathiek dan zijn werk doet vermoeden.

Manu Van der Aa