Leven en werken van Maurice Gilliams: biografie op komst

Nee, Maurice Gilliams (1900-1982) was geen collaborateur. En ja, meer dan waarschijnlijk heeft de officieel kinderloze Gilliams dan toch een (buitenechtelijke) zoon. Annette Portegies, die al in 1999 de opdracht aanvaardde om een biografie over Gilliams te maken, presenteert eind augustus 2022 in Weerspiegeld in een waterglas het levensverhaal van de zogenaamde Prins van de Vlaamse Letteren.

Tegelijkertijd krijgt ook het oeuvre van Gilliams zelf, veertig jaar na diens dood, een opknapbeurt dankzij Een binnenplaats met gras. Leen Huet vatte de essentiële Gilliams samen in één boekdeel van 1.200 bladzijden.

Happy end

Gilliams was en blijft een buitenbeentje in de Vlaamse letteren, en heeft dat quasi-aristocratische imago ook altijd gecultiveerd. Vast staat dat hij een selfmade man was die als autodidact zonder diploma tot bijna zijn vijftigste heeft moeten wachten voor hij een echt baantje wist te versieren. En dan nog was het vooral dankzij zijn netwerk dat hij eindelijk zelf financieel in het eigen onderhoud kon voorzien. Daarvoor was hij aangewezen op de ouders en de schoonfamilie van zijn eerste echtgenote Gabriëlle ‘Gaby’ Baelemans.

Dat het huwelijk uit augustus 1935 nooit echt geconsumeerd werd, zou later tot een bitse echtscheidingsprocedure leiden die slechts in 1976 uitmondde in een definitieve echtscheiding. En die opende de poort naar een tweede huwelijk. Tijdens zijn depressie in 1938 – als gevolg van zijn mislukte eerste huwelijk – kreeg hij een relatie met verpleegster Maria de Raeymaekers. Hij huwde haar uiteindelijk in april 1976.

Toen hij in 1980 ook nog eens tot baron werd gelauwerd, gaf dit aan Gilliams’ getormenteerde bestaan toch nog een gouden randje. Een happy end voor de inmiddels 80-jarige Gilliams, want ondertussen was hij ook in 1980 door de toekenning van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren officieel gecanoniseerd én werd hij daarenboven eredoctor.

Onrust en verbeelding

Ook vandaag wordt Gilliams voor zijn oeuvre – denk maar aan Elias of het gevecht met de nachtegalen – op handen gedragen. Marieke Lucas Rijnveld, de nieuwste literaire sensatie, gebruikte in haar debuut De avond is ongemak zelfs een regel van de Prins-Baron als motto: ‘De onrust schenkt vleugels aan de verbeelding’. En auteur Leen Huet maakte met Een binnenplaats met gras nu een genereuze bloemlezing uit Gilliams’ oeuvre.

En toch is zijn leven en schrijversbestaan allesbehalve over rozen gegaan. Portegies zette zich al in 1999 aan het werk om een bio over hem te maken en deed er dus meer dan 20 jaar over om ‘s mans verhaal te brengen.

Weerspiegeld in een waterglas, zoals de bio mysterieus heet, neemt de lezer mee aan het handje van de jonge Gilliams, zoals hij met zijn mama Antwerpse kerken bezocht en onder begeleiding van zijn papa-drukker de cafés afstruint op zoek naar opdrachtgevers voor diens drukkerij.

Literaire conculega’s

Portegies liet al enkele keren in haar kaarten kijken hoe het er aan toe is gegaan in Gilliams’ leven. En dat belooft voor het echte werk straks. In 2000 schreef ze in het literaire blad De Parelduiker al een mini-biografie over Gilliams, die in een notendop enkele neuralgische punten in diens leven serveert.

‘Het peinzend verdriet kweekt zijn eigen rozen’ – zoals dit biografisch essay heet – is een meer dan lezenswaardige voorstudie voor de eigenlijke biografie die nu verschijnt. Dat de astmatische Gilliams een frêle gezondheid had bijvoorbeeld en daardoor nooit echt op de schoolbanken kon aarden, wordt er uitvoerig in gedocumenteerd.

Het huisonderwijs dat tiener Gilliams genoot, resulteerde nooit in een officieel getuigschrift. Daardoor werd hij zijn leven lang bij sollicitaties over het hoofd gezien. Pas rond zijn vijftigste, toen hij een zeker renommee had en artistieke vrienden die voor hem lobbyden, slaagde hij erin om een echte job te vinden.

Collaboratie

Dat Gilliams ook in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog van culturele collaboratie werd verdacht, zat hem bijzonder hoog. Zijn literaire conculega’s Karel Jonckheere en vooral Toussaint van Boelaere speelden hierin een pernicieuze rol. Er was tijdens de bezetting een artikel van Gilliams over Vlaamse poëzie in de Brüsseler Zeitung verschenen. Jonckheere bond tegenover Van Boelare de kat de bel aan, en minimaliseerde vervolgens zijn eigen stemmingmakerij door toe te geven dat dat artikel Gilliams niet kon worden aangewreven.

Gilliams in een ziedende brief tegenover Jonckheere: ‘Is dit dan Uw eenige vaderlandsche daad, Uw eenig kinderachtig “verzet” tegen mijn vijanden-naar-de-geest? En Uw toch zóó dappere gevoelens: schieten ze plotseling wakker, nu… het gevaar geweken is, door op Uw manier voor “rechtertje” te spelen? De oorlog heeft mij minder met rust gelaten, en ik heb nochtans niet gewacht tot we veilig “bevrijd” waren om te toonen wie en wat ik ben, om te volharden in mijn op alle gebied onprofijtige houding.’

Buitenechtelijke zoon

In 1947 zou hij tijdens de begrafenis van Felix Timmermans beide literaire inquisiteurs publiekelijk te kijk zetten. Zijn afscheidsrede hekelde de manier waarop Timmermans door hen eveneens werd beschuldigd van culturele collaboratie omdat die in 1942 tijdens een officiële plechtigheid de Rembrandt-prijs in ontvangst had genomen. De goede Fee had zich die aantijgingen hard aangetrokken en vermoedelijk heeft dit zijn levenseinde bespoedigd. Volgens Gilliams speelde broodnijd hierin een belangrijke rol. Jonckheere en Van Boelaere konden alleen maar dromen van het verkoopsucces van Timmermans. Gilliams: ‘Ik heb er dan Toussaint van langs gegeven en heel de kliek van Brussel, die Timmermans had laten vallen omdat hij het buitenland had veroverd.’

Gilliams durfde dus ook te zeggen waarop het stond. Alleen als het ging over de geruchten rond een buitenechtelijke zoon gaf hij niet thuis, zo Portegies in een ander intrigerend artikel dat ze al in 2004 voorpubliceerde in het literaire magazine Tirade. Eind november 1945 leerde Gilliams de 20-jarige conservatoriumstudente Régine Leboys kennen die toen pas getrouwd was met musicus Karel Candael. In oktober 1949, vermoedt Portegies, beviel Régine van Gilliams’ zoon. Het kwam nooit meer goed tussen haar officiële echtgenoot Karel en haarzelf, ook al stond haar man toe dat het koekoeksjong door haar in het gezin werd opgevoed.

Balkontafereel

Uit brieven en kattebelletjes bleek dat Gilliams vanop afstand zich wel degelijk inliet met diens opvoeding en daarbij vooral bevreesd was dat Gilliams junior, zoals hijzelf, zonder diploma door het leven zou moeten gaan. Tot Gilliams’ dood zou Régine regelmatig onder het raam van Gilliams’ huis opduiken tot grote ergernis van Gilliams’ tweede echtgenote.

Portegies: ‘Bijna dagelijks liep ze langs het appartementencomplex aan de Lange Gasthuisstraat, waar Gilliams vanachter het raam naar haar uitkeek. Voor buurtbewoners werd het een bekend tafereel: de extravagant geklede vrouw beneden op straat en de statige oude heer op de vierde verdieping, knikkend, zwijgend opgaand in de schemering.’ Een shakespeareaans, aandoend balkontafereel. Maar dan op hoge leeftijd. En niet in Verona, maar in Antwerpen dus.

Frank Hellemans