Laat Bart Van Loo een tv-serie maken over de Bourgondiërs

Schrijvers die in een meesterlijke synthese én met gevoel voor drama en anekdotiek historische verhalen vertellen, scoren de laatste jaren opvallend goed. Denk maar aan het succes van In Europa van Geert Mak. De literaire non-fictie van Frank Westerman. En bij ons de meeslepende verhalen over Congo en de Indonesische Revolusi van David Van Reybrouck. Ook niet te vergeten De Bourgondiërs van Bart Van Loo, natuurlijk.

Aanstekelijk vertelde ideeëngeschiedenis

Toen Bourgondiër Van Loo afgelopen week in een opiniestuk in De Standaard een lans brak voor de populaire, narratieve geschiedenis die hij samen met deze gelijkgezinden bedrijft, kreeg hij tegenwind van sommige academische historici. Van Loo verdedigde zijn verhalende aanpak en vond het spijtig dat de universiteiten niet meer inzetten op narratieve historiografie — aanstekelijk vertelde ideeëngeschiedenis, zeg maar.

Wie als academicus prof wil worden, moet internationale, Engelstalige vakartikels schrijven om carrière te kunnen maken. Kortom, de universiteiten hebben zelf boter op hun hoofd. Ze duwen hun young potentials weg van een vulgariserende aanpak voor het brede publiek van studenten en andere geïnteresseerden. Nochtans is maatschappelijke dienstverlening één van de drie pijlers van ons onderwijs. Trouwens, studenten zijn vragende partij voor hoorcolleges waarin docenten boeiend over hun inzichten kunnen vertellen. Toxicoloog Jan Tytgat, kandidaat bij de volgende rectorverkiezingen aan de KU Leuven, onderstreepte bij zijn kandidatuur het belang van dergelijke enthousiasmerende proffen. Die slagen er door hun vlot gebrachte verhalen in om de studenten aan hun lippen te laten hangen. Wat zou er dus mis mee zijn om van Loo en Van Reybrouck bijzonder hoogleraar te maken?

Echte en fictieve geschiedenis

Toen Van Reybrouck twintig jaar geleden met De plaag debuteerde, maakte hij trouwens dezelfde overweging als Van Loo nu. Archeoloog van opleiding koos Van Reybrouck, die al een doctoraat op zak had, tegen wil en dank voor het avontuur van de schrijverij. Hij verfijnde op eigen houtje zijn concept van mondelinge geschiedenis. De unief wilde hem naar eigen zeggen namelijk niet vrijmaken voor het werken aan een boekproject als Congo. Vandaar Van Loo’s analoge bedenking dat hij De Bourgondiërs nooit aan een universiteit had kunnen schrijven. Terwijl dat nochtans zijn jongensdroom was geweest. Kortom, de universiteiten missen door hun ver doorgedreven specialisatie enorme kansen.

Geschiedschrijving lag trouwens aan de basis van de verhalende literatuur. Er werd hier al in Alle wegen leiden naar Milete uit de doeken gedaan hoe een Griekse geschiedschrijver als Hekataios van Milete in de zesde eeuw vóór Christus verhalen over de Lydische en Perzische buurvolkeren opdiste voor zijn Griekse, Ionische lezers. De historische geschiedschrijving kreeg definitief de wind in de zeilen met de iconische Historiën van zijn bijna-tijdgenoot Herodotos. Die opereerde enkele tientallen kilometers ten zuiden van Milete — in Halicarnussus (het huidige Bodrum). Hij voerde vooral de Perzische esbattementen van Cyrus de Grote tot de Perzisch-Griekse oorlogen knap ten tonele.

Het was daarna pas dat het romangenre, de zogenaamde Milesische fabel, in de voetsporen van de echte historiografen, geboren werd. Alleen ging het in de roman natuurlijk om fictieve geschiedenissen. Maar de toon was gezet. Het publiek raakte verzot op échte, goed vertelde geschiedenis en op verzonnen geschiedenissen. Op literaire non-fictie dus en op fictie.

In de voetsporen van Toynbee

Die narratieve geschiedschrijving, die begon met Herodotos, zorgde trouwens in de hele westerse literatuurgeschiedenis voor meesterwerken. Denk maar aan Verval en ondergang van het Romeinse Rijk. Edward Gibbon vertelt in deze 18de-eeuwse klassieker hoe de Romeinen ondanks — of dankzij — hun integratiepolitiek uiteindelijk zelf het slachtoffer werden van een steeds diverser wordende samenleving.

Het is trouwens opvallend hoe dit soort van intellectual history vandaag nog altijd aan Engelse universiteiten wordt gestimuleerd. Adrian Goldsworthy, befaamd historicus uit Oxford, schrijft met de regelmaat van een klok knappe synthetische werken over diverse aspecten van de Romeinse geschiedenis. Of het nu om Caesar en Augustus gaat, of om de manier waarop het Romeinse leger zo lang de motor was van het Romeinse succes. Verleden jaar verraste hij nog met Philippus en Alexander. Daarin toonde hij overtuigend aan hoe het bedje van de zoon, Alexander de Grote, veel meer dan gedacht, gespreid werd door de vader, Philippus de Tweede.

Classica Mary Beard, een ander exportproduct van Oxford, maakte recent furore met haar baanbrekende Romeinse geschiedenis SPQR.: een geschiedenis van het Romeinse Rijk. Historicus Tom Holland is ook een Oxfordiaan. Hij schreef bestsellers over de Grieks-Perzische oorlogen tot de wijze waarop het christendom de Verlichting zou initiëren. Om nog maar te zwijgen van de alomaanwezige Britse historicus Simon Schama. Die trok na een academische carrière in Oxford en Cambridge naar Harvard. Dat deze geschiedschrijvende professoren eveneens op de televisie hun verhaal mogen doen in de voetsporen van de grote Arnold Toynbee spreekt in de Angelsaksische wereld voor zich.

Intens middeleeuws levensgevoel

In de Nederlandstalige literatuur waagde Conrad Busken Huet zich in de 19de eeuw aan een nu nogal altijd leesbare synthese van de Vlaamse barokke (Het land van Rubens) én de Nederlandse realistische schilderkunst (Het land van Rembrandt) in de Gouden Eeuw. Maar het grote voorbeeld voor Van Loo was natuurlijk de Leidse professor Johan Huizinga en diens weergaloze Herfsttij der middeleeuwen uit 1919. Huizinga slaagde er in zijn flamboyante stijl in om het extreme, ‘felle’ levensgevoel van onze laatmiddeleeuwse voorouders te doen aanvoelen aan hedendaagse lezers die heel wat rationeler en koeler zijn.

De intensiteit van het leven met zijn voortdurende tegenslagen, maar ook feestelijke hoogtepunten kregen in Huizinga’s proza een bijzondere glans. Die strookte helemaal niet met het clichébeeld van de donkere middeleeuwen. Huizinga kreeg bij verschijnen van zijn meesterwerk ook tegenwind uit het academische milieu. ‘Het is toch maar een roman’, was vaak de teneur van de kritiek. Waarop Huizinga: ‘Gisteren las ik het stuk van Muller. Het is eigenlijk nogal mal.’

Huizinga had zich nochtans ingedekt voor de kritiek die hij verwachtte. Hij voorzag zijn magnum opus dan ook  van een veelzeggende ondertitel: ‘Studie over levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden’. Huizinga zou deze briljante geschiedenis nooit meer evenaren. Homo ludens, bijvoorbeeld, uit 1938 komt over als een nogal inspiratieloze cursustekst.

Van fluim tot Vlaming

Van Loo legt in zijn Bourgondisch verhaal trouwens heel eigen accenten. Hij concentreert zich op het eerste gezicht inderdaad op de gekende dynastieke geschiedenis van Franse koningen en Bourgondische hertogen. Maar hij onderstreept daarbij het belang van kunstenaars als de gebroeders Van Eyck, Klaas Sluter en Melchior Broederlam. Die gaven met hun in opdracht gemaakte werken het Bourgondische hofleven zijn magistrale glans.

Van Loo serveert daarbij talloze originele etymologische analyses. Die beginnen al bij de naam Vlaanderen, waarin ‘fluim’ herkenbaar opduikt: ‘Flauma. Uit dit Germaanse woord kwam Vlaanderen aan land gekropen, letterlijk. Flauma betekent vloed.’ De eerste bewoners — zo Van Loo — die zich vestigden op verhogingen in dit door vloed geteisterde landschap aan de zee, werden tot ‘Flaumung’ gedoopt en later ‘Flâming’. Wanneer in 732 Karel Martel de islamitische invasie tot staan brengt in Poitiers, vertelt kroniekschrijver Notker de Stotteraar hoe hij daarbij de steun kreeg van een bonte coalitie van christelijke troepen: ‘Europenses’. De eerste keer dat het woord Europeanen werd gebruikt, aldus Van Loo.

Tafelen met de copains

Van Loo is dus niet zomaar een vlotte verteller-conferencier, maar verheldert met zijn etymologische associaties de gang van de geschiedenis. Hij laat daarbij op zijn Huizinga’s de look and feel van die dagen her(be)leven. Nooit geweten dat wit brood toen een luxeproduct was. Of dat het brood samen delen met je copain toppunt van exquis culinair genot was tijdens Bourgondische banketten (op het brood werden de spijzen gelegd in plaats van ze aan te vullen met ‘vulgaire’ aardappelen, zeg maar).

Kortom, hoog tijd om Van Loo na diens onvolprezen Klara-podcast ook eens een tv-programma te laten maken. Eén waarin hij zijn Bourgondische verhaal ter plekke kan navertellen naast de befaamde Mozesput van Sluter vlakbij Dijon, het Lam Gods in Gent of het Gruuthuuse-museum te Brugge. Als de Nederlandse openbare omroep via een driedelige tv-documentaire ons laat zien hoe Van Reybrouck stokoude getuigen voor zijn werk Revolusi wist te interviewen, moet de VRT dat toch ook kunnen in het geval van Van Loo? Vanaf dinsdag 2 februari is Van Reybroucks trilogie nu ondertussen te beleven op Canvas en VRT NU. Wedden, trouwens, dat de VRT aan Van Loo’s Bourgondië-reeks veel geld zal verdienen als buitenlandse tv-stations zich vervolgens melden?

Frank Hellemans