Kerstoffensief met nieuwe Van Reybrouck, Olyslaegers én Spit

Kerstdrukte in uitgeversland. Het lijkt wel alsof alle grote kanonnen tegelijkertijd hun lading willen lossen. De meest spraakmakende boeken van het jaar verdringen elkaar momenteel in de boekhandel. Afgelopen weekend was het de beurt aan Revolusi van David Van Reybrouck en Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers. Volgende week is Lize Spit daar al met haar langverwachte tweede roman Ik ben er niet.

Magische decembermaand

Nu er dit jaar geen échte Boekenbeurs was, mikken uitgevers en boekverkopers nog meer op de magische decembermaand. Dat is voor boekhandelaars traditioneel de meest winstgevende periode. Vandaar allicht dit literaire bommentapijt met het beste wat de Vlaamse letteren afgelopen jaar te bieden had. Komt erbij dat de drie auteurs in kwestie jaren aan hun kerstcadeau hebben gevijld. Ze pakken ook alle drie met vuistdikke boeken uit. Van Reybrouck zelfs met een worp van 638 bladzijden. Gefundenes Fressen nu er sociaal toch niet veel te beleven valt tijdens de donkere winteravonden. Tijd zat om een klepper van deze drie Champions League-schrijvers te degusteren met zicht op de kerstboom.

Micro- én macrogeschiedenis

Van Reybrouck werkte naar eigen zeggen vijf jaar aan een vervolg op zijn historische meesterwerk Congo. Maar hij liep eigenlijk al langer met het idee rond om iets gelijkaardigs te doen met de geschiedenis van de ex-kolonie van onze noorderburen. Ik sprak hem er als jurylid in 2010 bij de borrel na de uitreiking van de AKO Literatuurprijs voor Congo op aan. Toen wuifde hij het idee om te beginnen aan een geschiedenis van Indonesië echter nog weg. Hij zag er toen trouwens tegenop om weer eens de wereld rond te moeten reizen om tientallen getuigen te interviewen.

Terecht liet hij de eer aan zijn Nederlandse collega’s om iets met hun eigen koloniale verleden te doen. Maar Frank Westerman en Geert Mak, twee coryfeeën van de Nederlandse literaire non-fictie, waagden zich blijkbaar liever niet aan de hete brij. En dus begon het Van Reybrouck te kietelen om er zelf aan te beginnen.

Van Reybrouck is van opleiding archeoloog, maar ondertussen ook een door de wol geverfde roman-, theater- en gedichtenschrijver. Hij hanteert in Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld zijn unieke vertelrecept van micro- én macrogeschiedenis. Als geen ander combineert hij de kleine geschiedenis van ooggetuigen met de grote geschiedenis van historische verbanden. En hij doet dat dus met een literair angehauchte stijl die je alleen bij de beste geschiedschrijvers vindt.

Neef van Multatuli

Van Reybrouck houdt van orale historiografie. Daarom ging hij in Indonesië zelf, maar ook in Japan en Nepal, praten met tientallen ervaringsdeskundigen. Zij hebben de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië tussen 1945 en 1949 van dichtbij meegemaakt. Frappant zijn de getuigenissen van de Nepalese Gurkha-soldaten, tot vandaag Britse elite-eenheden, die de jappenkampen na de Tweede Wereldoorlog hebben bevrijd. Maar minstens even opvallend is zijn ontmoeting met iemand die de neef van Eduard Douwes Dekker, alias de grote Multatuli, heeft gekend. Deze Ernest Douwes Dekker was nog activistischer dan Multatuli in zijn Max Havelaar al was geweest. Hij ontpopte zich tot een van de eerste Indisch-Nederlandse onafhankelijkheidsstrijders in 1912. Lang voor de feitelijke afscheiding van de kolonie van het moederland onder Soekarno na WO II.

Naast die aparte verhalen van rechtstreeks betrokkenen serveert Van Reybrouck ook harde cijfers die te denken geven. Ja, er waren bijna honderdduizend Nederlanders in jappenkampen geïnterneerd. Duizenden van hen werden geliquideerd. Maar tegelijkertijd kwamen er vier miljoen autochtone Indonesiërs van honger om. En natuurlijk is er het gebaar van de historicus die al synthetiserend grote verbanden legt. Die zijn misschien niet altijd evident maar wel opmerkelijk. Hij geeft daarbij veel gewicht aan de internationale conferentie in Bandung van 1955. Die zou de Amerikaanse zwarte burgerrechtenbeweging in de jaren 1960 hebbend geïnspireerd, maar ook de totstandkoming van de Europese Unie in 1957.

Beer is geen heer

Ook Jeroen Olyslaegers heeft sinds de doorbraak met zijn Antwerpse collaboratieroman Wil de grote geschiedenis ontdekt. Zoals spitsbroeder Van Reybrouck weet hij die in Wildevrouw op smaak te brengen met raak gekozen anekdotes en pittige details. Natuurlijk is Olyslaegers honderd procent verteller. Hij gaat dan ook niet expliciet grote verbanden suggereren, zoals Van Reybrouck dat doet. Maar toch is zijn reconstructie van het Antwerpen van de Beeldenstorm in de jaren voor en kort na 1566 ook een vingerwijzing voor deze coronatijden.

Met veel verve laat hij zijn hoofdpersonage Beer, Antwerps cafébaas die uiteindelijk naar Amsterdam emigreert, zijn getormenteerd leven in 416 bladzijden opbiechten. In een plastische stijl die horen en zien doet vergaan, dompelt hij de lezer met huid en haar onder in de wonderlijke wereld van de godsdiensttroebelen in de zestiende eeuw. Het panorama van Antwerpen als intellectueel-artistiek-commerciële broedplaats krijgt een knauw met de hongerwinter van 1564 die de Beeldenstorm van 1566 al aankondigt. Knap hoe hij hier een levendig portret borstelt van de Antwerpse fine fleur: van cartograaf Abraham Ortelius tot schilder Pieter Breughel en de rijke handelaars. En dat in combinatie met de onderwereld van badhuizen en carnavalsverenigingen, zoals de wildemansbond waar Beer de plak zwaait.

En ook nu weer heeft Olyslaegers een speciaal zintuig voor de manier waarop de meeste mensen zich door het leven worstelen. In Wil krijg je als lezer mededogen met sommige Antwerpse politieagenten-‘tweezakken’. Die hielpen ondergedoken Joodse medeburgers en praatten tegelijk de Duitse bezetter naar de mond. Ook deze Beer is niet altijd een heer, maar tegelijk wil hij toch met vallen en opstaan fatsoenlijk zijn. Hoe kijk je jezelf recht in de ogen als je de handen noodgedwongen vuil hebt moeten maken? Olyslaegers geeft geen eenduidig antwoord maar vraagt wel vergiffenis voor zijn hoofdpersonage dat er ook niet wijs uit raakt.

Trappers verliezen

En zo is het ook vaak bij de hoofdrolspelers in Lize Spits literaire universum. Na haar megahit Het smelt van vier jaar geleden gaf ze zichzelf ruimschoots de tijd om in een even ambitieuze tweede roman de complexiteit te ontrafelen van op het eerste gezicht negatieve en destructieve gevoelens, zoals wraak en ander emotioneel ongemak. In Ik ben er niet staat de desintegratie van een ogenschijnlijk hechte liefdesband bij een koppel centraal. Protagoniste Leo leeft gelukkig samen met haar vriend Simon. Tot die plots de trappers verliest en Leo haar Simon letterlijk en figuurlijk niet meer herkent.

Afwachten of de 568 bladzijden een even sterke rollercoaster zijn als haar romandebuut. Maar dat er een unhappy end zit aan te komen, lijkt haast onvermijdelijk. Nog even wachten tot 10 december dus om echt zeker te zijn. En eerst even die kerstboom zetten.

Frank Hellemans