Is Joachim Pohlmann echt de enige rechtse Vlaamse schrijver?

Eigenlijk is het hilarisch: het driemaandelijkse literaire tijdschrift Deus Ex Machina (DEM) brengt een themanummer over rechtse auteurs maar vindt nauwelijks pennen die zich waagden aan een stand van zaken. Resultaat: veel buitenlandse namen in deze rechtse literaire canon. En gelukkig toch ook Joachim Pohlmann die ooit van zichzelf beweerde dat hij de enige rechtse schrijver in Vlaanderen was. Zou het?

Overwegend links

Best een interessant idee van DEM, het literaire tijdschrift met Antwerpse roots, om zich aan een canon van rechtse schrijvers in Vlaanderen en elders te wagen. Ook al wist de redactie dat het geen vanzelfsprekende opgave was vermits ze zelf naar eigen zeggen ‘overwegend links of links-liberaal’ is gekleurd, ‘zoals dat vermoedelijk voor het overgrote deel van de culturele sector geldt’. Reden te meer dus om naar dissidente stemmen te gaan hengelen.

Maar viel dat even tegen. In de inleiding van dit themanummer geven de redacteurs eerlijk toe dat het zoeken met een vergrootglas was om toch maar één naar eigen zeggen rechtse auteur te kunnen vinden in Vlaanderen: Pohlmann dus. Om daarnaast medewerkers te vinden die over het thema wilden of durfden te publiceren, bleek al even moeilijk: ‘In de 46-jarige geschiedenis van dit tijdschrift is er waarschijnlijk geen nummer geweest waarvoor zoveel auteurs bedankt hebben.’

Tegengeluid

Gelukkig was daar Pohlmann dus, kabinetschef van minister van Cultuur Jan Jambon, en in zijn vrije tijd ook romanschrijver die zopas met Weesland een nieuwe roman uitbracht die ook hier werd besproken. Pohlmann, toen nog woordvoerder van Bart De Wever, viel vooral op met zijn vorige roman Een unie van het eigen uit 2016. De titel alleen al is een principeverklaring die kan tellen.

Spijtig dat Pohlmann in zijn bijdrage voor DEM geen inkijk geeft in zijn eigen ideeën. Hij stelt alleen vast dat de rechtse literatuur zo goed als uitgestorven is. Ja, je hebt dus Pohlmanns eigen romans die een tegengeluid brengen tegen het mainstream establishment van de links-liberale literatuur. En daarnaast, zo Pohlmann, ‘natuurlijk Herman Brusselmans en Marnix Peeters, maar die zijn eerder dissonant. Ze laten – veeleer als pose – een tegengeluid horen.’

Verlies van beschavingswaarden

Of Brusselmans en Peeters ‘poseurs’ zijn, daar ben ik niet zo zeker van. Zeker Peeters maar ook de jonge Brusselmans en tegenwoordig ook Delphine Lecompte gingen en gaan met veel branie tekeer tegen alles en iedereen die al te politiek-correct in het algemeen schrijft, en overdreven woke in het bijzonder. Wat Pohlmann – en Peeters, Lecompte en Brusselmans – dan rechts zou maken, komen we hier niet te weten.

Pohlmann suggereert dat zijn gereputeerde literaire geestesgenoten – van Evelyn Waugh (Terugkeer naar Brideshead) en Anthony Burgess (A clockwork orange/Boze jongens) tot T.S.Eliot (The waste land/Het barre land) – vooral geobsedeerd zijn door het verlies van beschavingswaarden, wat ze met veel melancholische schittering van woorden betreuren maar waar ze zich tenslotte ook bij neerleggen. Ze gaan daarbij tekeer ‘tegen het hedonisme en het materialisme van een nieuwe tijd’ maar bieden dus zelf geen antwoorden. Ze fungeren als laudatores temporis acti – lofzangers van een verloren era – om het met Pohlmanns vroegere baas te zeggen.

Traditie revitaliseren

Kortom, het lijkt erop dat de rechtse auteur vooral vanuit een conservatieve, defensieve reflex schrijft. Wat hij of zij daarbij wil bewaren, kan variëren maar het is frappant dat wie naar de talrijke buitenlandse voorbeelden kijkt – die hier gelukkig wel aan bod komen – toch een zekere gemeenschappelijke noemer kan onderkennen.

Wim Michiel, samensteller van dit nummer, geeft een mooi overzicht van ongeveer een tiental buitenlandse rechtse coryfeeën: van de Amerikaanse extreme individualist Ayn Rand tot de Duitse aristocraat Ernst Jünger en de filosofische gestemde Friedrich Hölderlin en Peter Sloterdijk, van de Engelse prins van de paradox Gilbert Keith Chesterton tot de Franse boze blanke man Michel Houllebecq. Literatuurwetenschapper en Doorbraak-medewerker Luc Rasson brengt in een apart essay het dubbelzinnige werk van Louis-Ferdinand Céline tot leven, samen met Ezra Pound, een boegbeeld van de rechtse literaire falanx.

Esthetische hoogstandjes

Het is opvallend hoe de meesten van deze auteurs tekeer gaan tegen de tijdsgeest door beroep te doen op het revitaliseren van de traditie. Zeker in het geval van Houellebecq en Céline gebeurt dit ook vanuit een ronduit misantropische kijk op het menselijke gewriemel.

Distantie tegenover het huidige tijdsgewricht leidt vaak tot een cultiveren van een hyperindividuele aristocratie van de geest, al dan niet in het spoor van niemand en niets ontziende filosofen, zoals Sören Kierkegaard, Arthur Schopenhauer en vooral Friedrich Nietzsche. Deze cultus leidt sporadisch tot intense esthetische hoogstandjes, zoals in het werk van voornoemde auteurs die daarom tot de canon van de westerse literatuur kunnen worden gerekend.

Homerus’ Ilias schrappen?

Ludo Abicht merkt in zijn beschouwing over het nog altijd relevante onderscheid tussen rechts en links op dat je bij literaire oordelen steeds auteur en werk van elkaar moet scheiden. Het is niet omdat Céline rechtse antisemitische pamfletten schreef dat zijn romans ook in dat bedje ziek zijn, zo Abicht. Hij roept op om met de Amerikaanse cultuurfilosoof Fredric Jameson als leidsman een duidelijk onderscheid te maken tussen de ideologische en utopische functie van literaire werken. Anders ga je het kind met het badwater weggooien, en literaire meesterwerken van ideologisch rechtse schrijvers, zoals Honoré de Balzac of Céline, moeten cancellen.

Iets wat trouwens hier te lande gebeurd is met Jef Geeraerts die door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL) schabouwelijk uit de Nederlandstalige canon werd gekieperd. Diens Gangreen, een meesterwerk uit de Vlaamse letteren, werd op dubieuze morele gronden geschrapt uit het lijstje van 51 klassiekers. Gangreen, zo de KANTL, was immers ‘een lange verheerlijking van opvattingen en gedragingen die ons vandaag misselijk maken’.

Hetgeen Rasson in zijn bijdrage over Céline doet ontvallen dat ‘moraliserende literatuurbeschouwingen – nog niet zo lang geleden vooral een katholieke reflex – helemaal terug van weggeweest zijn.’ En wat dan, zegt Rasson nog, met het hele universum van Luikenaar Georges Simenon dat buiten elke moraal staat? Idem dito trouwens voor Guy de Maupassant die in een van zijn korte verhalen vertelt hoe een vrouw zich miskend voelt omdat ze niet werd verkracht. En hij besluit: ‘Kunnen we de Ilias, een tekst die de oorlog bezingt, nog voorleggen aan de jonge generaties?’

Het eigene en het andere

Goed dus dat vandaag jongere schrijvers en uitgevers, zoals Bart Van Loo en Toon Horsten, het aandurven om Boerenpsalm van Felix Timmermans, ooit verbrand als rechtse want culturele collaborateur, opnieuw uit te geven én daarmee te scoren. Timmermans’ verheerlijking van een authentiek boerenbestaan dat helemaal met zichzelf en de omgeving samenvalt, werkt dan als aansporing om ook in het persoonlijke leven op te gaan in het organische samenspel van dat eigene met het andere.

Afijn, Vlaanderen en de wereld telt heel wat zogenaamd rechtse literatuur, die de moeite waard is om te (her)lezen. Van Ernest Claes en Stijn Streuvels tot de totalitaire esthetica van Peter Verhelst, zoals die bijvoorbeeld in zijn megalomane roman Zwerm tot uiting kwam. En dan heb ik het nog niet over Gerard Reve & co bij onze noorderburen. Literatuurhistorici hebben stof te over om zich over te buigen. Si on les laisse faire.

Frank Hellemans