Intiem poëtisch testament

Doolhofoogst heet de nieuwste gedichtenbundel van de 75-jarige literaire duivel-doet-al Guido Lauwaert. Meer dan ooit is hij bezig met het afronden van zijn leven. Drie jaar geleden beschreef hij al in Alvorens alles vervaagt de eerste veertig jaar van zijn rocamboleske omzwervingen in het literaire wereldje. De organisatie van zijn levenswerk – de fameuze vier Nachten van de Poëzie – vormde toen de focus. Maar vooral de uitbundige, flamboyante tafelspringer was daarin aan het woord.

Wierook en eindspel

In Doolhofoogst daarentegen gaat Doorbraak-medewerker Lauwaert intiem: zonder dikdoenerij en vol levenswijsheid kleedt hij zichzelf in deze poëtische memoires uit. Zijn gevoel voor humor en zelfrelativering doet de rest om van deze gedichten een verstild in memoriam te maken waarin moeder en vader, de dichtkunst en de vrienden de hoofdrol vertolken. En vooral natuurlijk de immer en overal aanwezige dood die voor Lauwaert met het stijgen van de jaren – en enkele hartoperaties – als maar tastbaarder wordt.

In het eerste deel van zijn prozaïsche memoires opende hij met de voorgeschiedenis van zijn Oost-Vlaamse vader en vervolgens West-Vlaamse moeder. In zijn dichtbundel nu draait hij de rollen om en begint hij met een moedercyclus die veelzeggend ‘wierook’ heet terwijl hij afsluit met ‘eindspel’, een resem vader-gedichten waarin de dichter uiteindelijk preludeert op het eigen verdwijnen straks.

Aam- en aardbeien

Lauwaerts moeder – ‘la femme d’orchestre de la famille’ – hield van Franstalige cultuur en chansons en spookt als stem nog dagelijks blijkbaar door het hoofd van de dichter. Zijn stentorstem – die hem zo’n kracht en uitstraling gaf bij het toneelwerk – heeft de zoon waarschijnlijk van de moeder geërfd: ‘wat zij zegt / heeft een echo / die galmen blijft / als in een kathedraal’. Vervolgens serveert Lauwaert enkele verzen die de lezer doen opkijken door hun tegendraadse beeldspraak: ‘boven het altaar / langs marmeren graven / zegt zij dat wat ik zeg / een verfwinkel is / of iets in die trant’.

Dergelijke contrasten die elke grootspraak de grond in boren, serveert Lauwaert wel meer en geven zijn gedichten een ontwapenende meerwaarde, zoals in zijn strofen over de dichtkunst meer dan eens het geval is: ‘ik schrijf / voor wie lezen kan / muziek hoort / waar die ogenschijnlijk niet is / het verschil kent / tussen aambeien en aardbeien’. De hilarische woordspeling in dit laatste vers is Lauwaert ten voeten uit. Geen nodeloze schoonschrijverij voor deze jongen maar parler vrai met de broodnodige zelfironie. Poëzie kan slechts de schoonheid ‘omschrijven’ want: ‘De dichtkunst is / niet de haute cuisine van de literatuur / is niet de schoonheid op haar best’. Daarmee is de poëzie voor Lauwaert nooit af en blijft ze hem haast dagelijks aansporen om het toch maar te blijven proberen op zijn manier.

Sperwerblik

Franjes hoeven dus niet voor deze dichter. Daarom dat hij zijn 61 genummerde gedichten titelloos brengt. Sommige beslaan trouwens meerdere bladzijden zodat deze bundel toch een substantiële oogst biedt van wat de essentiële Lauwaert zou kunnen worden genoemd. Tussen de accolade van zijn moeder- en vadergedichten – in de begincyclus ‘wierook’ en het finale ‘eindspel’ – groepeert hij verzen bij wijze van ‘zelfportret’ maar ook losse ‘sprokkels’. Natuurlijk mogen hommages aan al wie hem lief is niet ontbreken.

Discreet vermeldt hij zijn grote inspiratiebronnen achteraan de bundel onder de noemer ‘gekroonde hoofden’, en voorziet hij de gedichten in kwestie slechts met een discrete asterisk. Zo voert hij zijn ideale eindredacteur en levenslange compagnon de route Karel Anthierens met de rode balpen in de hand ‘als een sperwer’ op: ‘wreed het lijkt een moord / toch was dat niet het geval / wat hij doodde / bracht leven in wat leven moet / wat zwart-wit was kreeg kleur’.

Anthierens met de sperwerblik geeft op de achterflap zijn favoriete gedicht waarin het voornaamste contrast in Lauwaerts poëzie volop speelt: dat tussen leven en dood. En ja, in dit vijfde gedicht uit de moedercyclus wordt de hele Lauwaert als het ware ingekookt opgediend:

Laat maar komen

laat mij gaan

na elke zon komt een maan

met elke maan een ander licht

een einder die zich nooit vergist

laat mij gaan

laat maar komen

de hond huilt als een wolf

mijn krekels vluchten naar de struiken

horen hoe ik sterf

in mijn mond de laatste klanken

vragen waar mijn moeder is.

Summa

Mijn favoriete Lauwaert speelt zich aan de zee af. Je zou het een ‘marine’ kunnen noemen, zoals in de schilderkunst. In deze summa van Lauwaerts dichtkunst proef je alles wat het leven én zijn bijzonder toegankelijke poëzie meer dan de moeite waard maakt:

Het verhaal van het bestaan

in de aanspoelende golven

bij een kalme zee

vredige dagen

bij een woeste zee

gevijlde schurkenstreken

eb brengt de jonge jaren

met hun schelmerij die het karakter bereidt

vloed het nabije verleden

met een taal en daad als schrikdraad

de einder is de mond

de gestifte lippen van de toekomst

de zee is meester van het bestaan

de golven vertellen het kabaal van het verhaal.

Frank Hellemans