Het DNA van de schone letteren

Zolang er mensen zijn, worden er verhalen verteld. Maar hebben verhalen wel een omslag nodig, en hoeven ze ‘schoon’ te zijn?

Boeken als nicheproduct

Ja, sterke verhalen die te denken geven, moeten kunnen worden gesavoureerd op papier of als e-boek. Maar nee, de meerderheid van de vertellingen werd en wordt via andere dragers doorgegeven: via de buurvrouw of -man, via Netflix of games en tegenwoordig op sociale media natuurlijk. En ga zo maar door met (technologische) media die de goeie ouwe drukpers ondertussen hebben aangevuld, en voor meer en meer jongeren ook hebben vervangen. Kortom, het boek met een omslag lijkt op weg om weer een nicheproduct te worden.

Tactiele en orale verhalen

Onze voorouders moesten het twee miljoen jaar geleden met alleen maar lichaamstaal doen. Ze vertelden al dansend en zingend letterlijk met handen en voeten over pijn en verrukking in hun dagelijkse strijd om te overleven. Vooral tijdens begrafenissen, geboortes, initiatierites en huwelijksfeesten werden die piekmomenten collectief uitgebeeld samen met de rechtstreeks betrokkenen. Versvoeten of meeslepend vertellen zijn niet voor niets lichamelijke, tactiele begrippen die hun oorsprong in deze oudste verhalen vinden.

Vandaar is het maar een kleine stap naar de eerste dramatische vertellingen die na de opvoering ervan te boek werden gesteld om op die manier onthouden te worden voor latere voorleessessies. Van het Gilgamesj-epos, de Homerische verhalen over de oorlog in Troje en de chaotische terugtocht daarna tot de oudtestamentische sagen. Ook hier draait alles om extreme belevenissen die al zingend en dansend door enkele hoofdpersonages worden gereciteerd. Deze uitgesproken mondelinge literatuur ging de primitief gescandeerde oerscènes meer en meer verfraaien met opvallende versieringen. Ze gaven in geuren en kleuren hoog op over de opwinding van overwinningen en de tristesse van nederlagen.

Met een boekje in een hoekje

Deze lichamelijk uitgebeelde en uitgesponnen voorgedragen vertellingen zijn het alfa en omega van de menselijke verhaalkunst. Een goed verhaal moet je voelen én horen. Het ook in intieme afzondering lezen, gebeurde pas op het einde van de middeleeuwen. Vooral monniken en mystici, zoals Thomas a Kempis, creëerden de cultus van het persoonlijke, studieuze lezen in angulo cum libello: met een boekje in een hoekje. Wie een boek leest, keert immers vaak terug op zijn passen en denkt al lezend na hoe hij zichzelf verhoudt tot datgene wat hij leest. Lezen wordt reflectie, letterlijk nadenken én het gelezene toetsen aan het eigen leven.

Schone Franse letteren

Echte schriftromans die vragen om individueel te worden gelezen, verschijnen pas in de zeventiende eeuw toen de schone letteren of belletrie in het Frankrijk van Lodewijk XIV ingang vonden. Het absolutistische Frankrijk is de uitvinder van les belles lettres en Nicolas Boileau zijn profeet. Hij formuleerde in zijn Art poétique met dank aan Aristoteles en Horatius de literaire kwaliteitsvoorschriften die een waardige uitstraling van de Franse grandeur zouden zijn. De drama’s van Pierre Corneille en Jean Racine vol ronkende alexandrijnen en retorische hoogstandjes vormden de belichaming ervan. De Franse Academie werd opgericht als waakhond voor de literaire kwaliteit van deze esthetiserende schrijfsels.

Don Quichote van Cervantes uit 1615, een parodie op de populaire ridderverhalen, wordt als de oudste roman beschouwd. In Frankrijk verschijnen in dezelfde eeuw  brievenboeken van adellijke dames, zoals De prinses van Clèves van Madame de La Fayette, die peilen naar de dynamiek van hun eigen gevoelens en hartstochten. Deze brievenroman ontpopt zich in de achttiende eeuw tot heuse liefdesroman. In de Engelse letteren staat Pamela van Samuel Richardson model voor de zogenaamde sentimentele damesroman: vrouwelijke hoofdpersonages ontleden voor vrouwelijke lezers hoe zij hun eigen society- en gevoelsleven verwerken, vaak met een pedagogische opdracht want de ondertitel van Richardsons bestseller luidde niet voor niets Virtue rewarded. In de Nederlandstalige literatuur gebeurt dit met Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart van Wolff en Deken dat ook in eerste instantie bedoeld was als stichtelijke lectuur voor de lezeressen.

Ontwikkelingsroman als succesformule

Het is pas in die negentiende eeuw dat de schriftroman met de realistische vertelkunst van Honoré de Balzac, Stendhal, Gustave Flaubert,  Emile Zola, Alessandro Manzoni en de grote Russen zijn serieux krijgt. Het leespubliek is niet langer aristocratisch maar burgerlijk en burgers krijgen graag een beeld hoe je het als neofiet in de samenleving uiteindelijk haalt op de omstandigheden. Wilhelms Meisters leerjaren van Goethe vertelt het exemplarische verhaal van een jongeling die eerst experimenteert met de liefde en met het vagabonderende theaterleven tot hij na die woelige start zichzelf vindt en bij wijze van beloning wordt opgenomen in  een elitegezelschap van wijze logebroeders.

Het verhaalstramien van deze ontwikkelingsroman – ook terug te vinden in Mozarts Toverfluit, de grootste burgerlijke opera uit die dagen – is tot vandaag trouwens het format van succesvolle mainstream tv- en filmverhalen. En ook van de huidige schriftroman. Van Max, Mischa en het Tet-offensief van de Noorse auteur Johan Harstad tot Een klein leven van de Amerikaanse schrijver Hanya Yanagihara: lezers krijgen via enkele markante hoofdpersonages een tastbaar beeld van een samenleving waarin de protagonisten met veel vallen en opstaan zichzelf proberen te vinden. Wie al strijdend en worstelend de meest grillige gebeurtenissen in het eigen leven probeert te bemeesteren, wint bij wijze van verlossing het lot. Of komt ouder en wijzer geworden – al dan niet melancholisch of verbitterd – tot ultiem inzicht en tot rust.

DNA van de literatuur

Het is de verdienste van de negentiende-eeuwse realistische ontwikkelingsroman dat deze verhaalvorm vandaag in alle mogelijke extraliteraire media – van games tot Netflix, van krantenjournalistiek tot tv-soaps – nog steeds allesoverheersend is. Iedereen leeft mee met de strapatsen van personages die het moeilijk hebben maar die niet bij de pakken blijven zitten en na heel wat strijd, kommer en kwel uiteindelijk toch uitzicht krijgen op een zinvol en vervuld leven. Ook in de Nederlandstalige bestsellerliteratuur is deze formule springlevend: van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch tot Vele hemels boven de zevende van Griet Op de Beeck.

Maar het is in zekere zin ook het drama van de ontwikkelingsroman dat deze extraliteraire media vaak overtuigender – zeg maar tactieler en oraler – dat verhaal kunnen inkleuren. Vertellen met handen en voeten én in geuren en kleuren zit in onze genen. Wie dat DNA het best in de vingers heeft, krijgt het meeste respons. In die zin zijn de HBO- en Netflix-series, en de populaire computergames, niet toevallig de meest geconsumeerde vertellingen van vandaag. Met filmische, digitale middelen valt blijkbaar zoveel kleurrijker en echter te vertellen dan met geschreven woorden.

Opgepast voor de implosie

Tenzij de schone letteren hun oorsprong niet vergeten natuurlijk. Grote literatuur zweert immers bij het tactiel-orale DNA van alle vertelkunst. In die zin heeft Els Snick gelijk wanneer ze haar zopas verschenen nieuwe, frisse vertaling van Radetzkymars, het meesterwerk van Joseph Roth nu mooi verlucht met tekeningen van Jan Vanriet, in Knack als volgt verdedigt: ‘Voorlezen is de lakmoesproef bij Roth. Door hun helderheid kun je zijn Duitse teksten hardop lezen zonder haperen. Als dat ook lukt met een vertaling, dan zit het goed.’

Meeslepend voorlezen uit een roman met een zich ontwikkelend verhaal blijft de lakmoesproef voor de schone letteren die in deze multimediale coronatijden willen overleven. Esthetiserend naar de eigen schrijversnavel kijken, leidt tot ronkende rococoliteratuur die aan het hof van de Zonnekoning bijval zou genieten, maar vandaag de schriftroman alleen maar verder in de eigen niche opsluit. Tot de implosie en het zwarte gat erop volgen, en ultieme betekenisloosheid zijn deel wordt.

Frank Hellemans