Harry Mulisch: ‘Jong hondje is godsbewijs

Tien jaar na zijn dood verrast Harry Mulisch met loepzuivere aforismen waarvan vele nog nooit eerder werden gepubliceerd.

Op vrijdag 30 oktober is het tien jaar geleden dat de Nederlandse literaire coryfee Harry Mulisch (1927-2010) aan de gevolgen van kanker overleed. Hij was samen met Gerard Reve en W.F. Hermans een van de zogenaamde Grote Drie in de naoorlogse Nederlandstalige letteren. Het is bon ton om bij sterfverjaardagen postuum nog wat lekkers uit hun laden op te duikelen, maar vaak ontgoochelen die onaffe probeersels die niet voor niets bij leven en welzijn van de gevierde schrijver nooit werden gepubliceerd.

Bruin schriftje

Ik kan niet dood zijn, een verzameling bespiegelingen van Mulisch, is een zeldzame uitzondering op die regel. Het toont op de vierkante centimeter zijn filosofisch-literaire diepzinnigheid. Kitty Saal, Mulisch partner, grasduinde in zijn nalatenschap. Ze stootte er op een bruin schriftje. Daarin pende hij reeds als zeventienjarige alle mogelijke schrijfplannen neer. Toen al, zo blijkt, was er een afdeling ‘Aphorismen die hij zestig jaar lang sporadisch zou aanvullen, maar die hij nooit effectief uitbracht.

Saal en mede-editeur Johan Kuiper groepeerden nu Mulisch meest puntige aperçus rond veertien themas: van genialiteit en gekte tot orakeltaal, dieren, oorlog en kwaad en ook vrouwen en vriendschap. Zij putten daarbij uit eerder gepubliceerde boeken van Mulisch — van Voer voor psychologen (1961) tot De ontdekking van de hemel (1992) — maar vooral uit nog nooit eerder vrijgegeven materiaal. En daar vallen heel wat ontdekkingen te doen.

Psychologie is een hoerenkut

Neem nu Mulisch voorliefde voor dieren: ‘Wie denkt dat een dier geen pijn kan lijden, is geen mens. Het is bekend dat Mulisch graag met zijn teckel paradeerde in de buurt van het Leidseplein waar hij woonde. Maar dat hij een hond boven Descartes verkoos, doet de oren spitsen: ‘Mijn teckel is veel intelligenter dan Descartes. In enkele zinnen legt hij uit waarom. En ja, Mulisch, die een notoire agnosticus was, moet toegeven dat zijn bestaan hem doet twijfelen aan een goddeloos universum: ‘Een jong hondje is een godsbewijs.

Natuurlijk komen de bekende oneliners die Mulisch in zijn oeuvre rondstrooide, ook aan bod. De bloemlezing opent met misschien wel het vaakst geciteerde citaat dat uit Voer voor psychologen komt: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten. Maar dat Mulisch niet veel op had met deze wetenschap is duidelijk: ‘De psychologie is een hoerenkut: alles kan er in.

De wereld is een vrouw

Hetzelfde geldt blijkbaar voor het huwelijk. Mulisch, de superdandy die er in zijn jonge jaren prat op ging dat hij het met tweeduizend vrouwen had aangelegd, wordt Elsschotiaans sarcastisch als hij het over het huwelijk heeft: ‘Het huwelijk is zoiets als een krant lezen aan een winderig strand. Vrijwel ondoenlijk. Of nog explicieter: ‘Niet voor niets zit het woord ‘huwelijk in het woord ‘afschuwelijk.

Toch is hij allesbehalve vrouwonvriendelijk: ‘Wie geen vat heeft op vrouwen, heeft geen vat op de wereld: dit is een wet, want de wereld is een vrouw. En ouwehoeren is iets wat etymologisch voor Mulisch niet kan, omdat het bij voorkeur door mannen wordt beoefend: ‘Het verschil tussen mannen en vrouwen is, dat vrouwen eieren leggen en mannen niet. Die kakelen!

Elke dag een liter wijn

Uiteraard houdt Mulisch, de alchemist van de Nederlandstalige literatuur, van paradoxen: ‘Als je ziek bent, ga je gezond leven, daar klopt iets niet. Wie gezond leeft is vermoedelijk ziek. Met diëten en geluksprofeten heeft hij weinig op: ‘Wat is het geheim van oud worden? Nooit aan sport doen en elke dag een liter wijn drinken.

Over literatuur en romanschrijven heeft hij vanzelfsprekend ook zo zijn eigen ideeën. Het is vooral zaak om het werk organisch te laten rijpen, zoals bij de inrichting van een huis. Elke twee jaar een roman publiceren vindt hij maar niets: ‘Een roman die twee jaar na het eerste idee voltooid is, ziet er zo steriel uit als het interieur van iemand die zijn huis opnieuw heeft ingericht. Daarbij hanteerde hij Goetheaans de leidraad dat slechts in de beperking zich de ware grootmeester toont: ‘Kunst onderscheidt zich van de natuur door haar begrenzing. Betekenis is uitsluitend mogelijk binnen grenzen. Kunst begint bij de lijst.

Maar dat sluit dan weer niet uit dat een geslaagd werk staat of valt bij een grenzeloze, onmogelijke fantasie: ‘Om te kunnen schrijven moet ik een fantastisch, onmogelijk, idioot idee hebben. Waar een min of meer normaal verhaal zich aan vast kan maken. Als dat idee er niet is, gebeurt er niets.

Dood zijn altijd de anderen

Mulisch cultiveert de ironie tot in het arrogante. Zijn eigendunk — half gespeeld, half echt — is memorabel en leeft voort in uitspraken, zoals ‘Ik bén de roman of ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog. En daar komt ook de titel van deze verzameling maximes vandaan: ‘Dood zal ik alleen voor de levenden zijn, niet voor mijzelf. Ik bedoel, ik kan niet dood zijn. Dood zijn altijd de anderen.

Soms leidt die liefde voor de paradox én de ironie tot eigenaardige staaltjes van hypothetische visioenen, zoals wanneer hij zich voorstelt dat de infame nazidokter Mengele bij zijn experimenten op gevangenen misschien een kankermedicijn zou kunnen hebben ontwikkeld. Of dat hij na de ondergang van het fascisme, kolonialisme en het christendom nu ook nog het einde van het voetbal hoopt te kunnen meemaken.

Springlevend

Mulisch is voor geen enkel gat te vangen en daarin schuilt de klasse van zijn werk én van deze maximes. Hij kan immers ook behoorlijk no nonsense uit de hoek komen: ‘Oorlog mag nooit, maar moet soms.

Kortom, je kan uit dit wonderlijke boekje van 142 bladzijden blijven citeren en dat is altijd een goed teken. Ook tien jaar na zijn dood is Mulisch nog springlevend.

Frank Hellemans