Geschiedenis is plezant!

Toegegeven, toen ik begon te lezen in Francis Weyns’ XVI – De zinderende 16de eeuw was ik niet meteen onder de indruk. De inleiding tot het onderwerp is de Bourgondische periode en als je de werken van Bart Van Loo en Edward De Maesschalck over dat tijdvak achter de kiezen hebt, dan heeft dit boek weinig nieuws te bieden. Maar u las het goed, de Bourgondiërs fungeren als een introïtus tot een bijzonder interessante eeuw. Weyns weet na enkele pagina’s zijn lezer op sleeptouw te nemen in een historische uiteenzetting die leest als een onderhoudend verhaal.

Het Spaanse Spook

De ondertitel luidt ‘Habsburgers, heksen, ketters en oproer in de Lage Landen’ en dat dekt zowat de hele lading. Johanna de Waanzinnige, de plundering van Rome, de Reformatie, de Beeldenstorm, Willem van Oranje, het Plakkaat van Verlatinghe, de val van Antwerpen, etc. het wordt allemaal zwierig beschreven. In het begin van dit jaar woedde er een discussie over hoe academici geen leesbare boeken zouden kunnen schrijven. Weyns is geen academicus, maar hij is een historicus en hij bewijst alleszins het ongelijk van de toen gecontesteerde stelling.

Of het de bedoeling is weet ik niet, maar de titel van het boek – De zinderende zestiende eeuw – doet me denken aan Suske en Wiske. De stripreeks van Willy Vandersteen liet me als kind kennismaken met figuren zoals de hertog van Alva (in Het Spaanse Spook) en anderen uit de zestiende eeuw. Die hertog van Alva – Ferdinand Álvarez de Toledo voor de vrienden – wordt door Francis Weyns beschreven als: ‘een langere en magere man die altijd kaarsrecht liep en met ‘een lange sabelzwart-zilverkleurige baard die in twee delen over zijn borst golfde’. Hij was in 1567 al zestig jaar oud en ‘leed onder een slechte gezondheid’. Verder wordt Alva ‘een vermoeiende arrogante ijdeltuit’ genoemd.

Alva is niet de enige die kleurrijk beschreven wordt. Keizer Karel – die volgens intimi ‘kon zingen als een engel’ – slikte voortdurend zijn woorden in en bleek moeilijk verstaanbaar. ‘Volgens een legende had een boer hem op zijn Spaanse rondreis in 1517 zowaar het advies gegeven om zijn mond dicht te houden zodat hij geen rondvliegende insecten inslikte’. Het is misschien ook het belangrijkste punt van kritiek op het boek: de auteur focust heel sterk op de al ruim gekende figuren en het ‘grote verhaal’ en hij biedt daarom ook weinig nieuws aan de lezer die echt op zoek is naar andere kennis.

Hocus pocus

Hier en daar heeft hij toch ook oog voor het verhaal van de kleine lieden. Dat mag u gerust letterlijk nemen. Dwergen werden in die periode beschouwd als ‘mirakels van God’.  Edellieden gaven aan elkaar dwergen cadeau. Een dwerg in bezit hebben versterkte immers het imago van de christelijke liefdadigheid van de bezitter. Catherine de Medici ging daarbij wel heel ver en wordt als ‘een verwoede verzamelaarster’ omschreven die ‘ze als huisdieren fokte’. Het boek heeft gretig aandacht voor de meer anekdotische kant van het verleden. U leert bijvoorbeeld waar ons begrip ‘hocus pocus’ vandaan komt. Het komt van de protestantse bespotting van de katholieke transsubstantiatieleer. Die leer verklaart dat het brood tijdens de eucharistieviering het lichaam van Jezus wordt en de wijn het bloed van Jezus, terwijl de priester de Latijnse formule ‘hoc est corpus meum’ (= ‘dit is mijn lichaam’) uitspreekt. Hocus pocus! Zulke weetjes maken het boek plezierig en bijzonder toegankelijk voor minder historisch onderlegde lezers.

De angst voor hocus pocus zat er diep in in die periode. Filips II maakte zich in 1592 openlijk zorgen over ‘de steeds meer toenemende toverij in de Zuidelijke Nederlanden’. Weyns heeft ruim aandacht voor de angst voor de duivel en voor hekserij. Deze diepe angst voor ‘trawanten van de duivel’ was een manier voor een gesloten samenleving om de uitdagingen die de tijd bood het hoofd te bieden. ‘Een roddel, een gerucht of een klacht was al voldoende om iemand van hekserij te verdenken en aan te klagen.’ Francis Weyns noemt de zestiende eeuw ‘een eeuw van uitersten’ en ‘een omgekeerde wereld’ waarin ‘mensen verklaringen zochten, maar waar ze de oorzaak nog niet of niet altijd juist begrepen.’ Maar de eeuw, betoogt de auteur verder, gaf ‘het startschot voor de kennismaatschappij zoals we die vandaag kennen’.

Een geslaagd boek

Het boek houdt ons als Lage Landers uit de 21ste eeuw ook een spiegel voor. Nepnieuws en achterdocht zijn duidelijk van alle tijden. En een zin als: ‘De economische dynamiek van de zestiende eeuw werd regelmatig ernstig vertraagd door ziektes als de pest, de pokken of syfilis’ levert een zucht van herkenbaarheid op. Of wat denkt u van deze: ‘Reeds in de zestiende eeuw zorgde de taalgrens tussen Vlaamse en Franse gewesten in het Bourgondische hertogdom ervoor dat men elkaar als “Lelijke Waal!” en “Vlaming!” uitschold, en een boer uit de omgeving van Oudenaarde die over de hoge belastingen klaagde, riep aan het einde van de zestiende eeuw dat de “Walen het zweet der Vlamingen nuttigen”’. Bij het laatste staat geen verdere historische duiding of contextualisering, wat dan weer jammer is.

Dit boek is uitermate geschikt voor de lezer die zoekt naar een leuke kennismaking met de zestiende eeuw of voor de geschiedenisleraar die altijd maar op zoek is naar laagdrempelige lesteksten en lesvoorbeelden. Doorgewinterde geschiedenisliefhebbers mogen het werk niet arrogant naast zich neer te leggen, maar dienen het als een bijzonder vlot leesbare opfrissing van de eigen kennis te zien. Want, geschiedenis is nu eenmaal plezant en Francis Weyns bewijst dat glansrijk met zijn geslaagde boek.

XVI -De zinderende zestiende eeuw  is verkrijgbaar in onze online boekhandel.

 

 

Harry De Paepe