Flanerend vakantielezen zonder lijstje

Alles kan, niets moet. Ook voor de lezer nu de vakantiemaanden zijn aangebroken. Tijdens het werkjaar heb je de neiging om de literaire actualiteit min of meer op te volgen. Sommigen stellen een to do-lijstje op van pas gepubliceerde interessante lectuur voor de vakantiemaanden later. Ze hamsteren de nieuwste boeken die de nodige aandacht genereren en kijken verlekkerd uit naar het moment waarop ze zich eindelijk helemaal zonder scrupules kunnen overgeven aan ‘comalezen’.

Geen dromen of seks

Als literatuurcriticus wil ik me echter in juli en augustus liever niet vastpinnen op dergelijke lijstjes. Kwestie van het vakantiegevoel te cultiveren natuurlijk, en ook wel om me te kunnen laten verrassen. Toegegeven, in mijn geval kijk ik reikhalzend uit naar de betere literatuurhistorische werken of een aparte thriller, vaak met alweer een historische inslag. En soms lees ik ook wel eens niet-Nederlandstalige roman in het Duitse, Franse of Engelse origineel. Je bent Vlaming en dus polyglot, toch?

Veel plezier beleefde ik zo jaren geleden in het Zwitserse Saas Grund aan Radetzkymars(1932) van Joseph Roth. Ja, ik ben altijd een Thomas Mann-fan geweest – een van de redenen trouwens om Duits te gaan studeren ooit – maar vergeleken met de maniërismen van Mann, oogt Roths meer directe stijl nog altijd springlevend. Tijdens de afgelopen kerstvakantie genoot ik van Inside story (2020) van Martin Amis. Zijn tips aan toekomstige schrijvers – geen droombeschrijvingen of expliciete seksscènes – zouden verplichte lees/leerstof moeten zijn op elke schrijversacademie. En tijdens de afgelopen paasvakantie waagde ik me aan Jean D’Ormesson, op aanraden van Gaston Durnez zaliger. Hij herkende zich wel in diens luchtig-spirituele stijl.

Voor de komende zomerweken ligt er nog geen niet-Nederlandstalig boek klaar. Ja, misschien eindelijk eens iets van W.G.Sebald lezen. Maar doe je dat dan in het Duits – wat gezien zijn afkomst voor de hand ligt? Of in het Engels waarin hij ook publiceerde? Even uitzoeken dus. Maar het heeft geen prioriteit. Juist, niets moet. Alles mag. Zeker geen bucket list-toestanden.

Verfransing van Brussel

Maar mijn historische non-fictiespeeltje, en de thriller in kwestie heb ik reeds aangesneden na peripatetisch bib- en boekhandelbezoek. Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur (2019) van Orlando Figes is een meeslepend relaas over de manier waarop Europese muziek, literatuur en schilderkunst in de 19de eeuw hun toppunt beleefden dankzij de oprukkende technologie van spoorwegen, tele- en fotografie, en de kapitalistische markt. En de artistiek betrokkenen zelf uiteraard.

Dat klinkt saai maar Figes is dus een ongelooflijk knappe verteller die graag inzoomt op sprekende details en illustratieve anekdotes. Ik wist bijvoorbeeld wel dat de verfransing in Brussel begin 19de eeuw begon, maar Figes noemt daarbij man en paard met onze toenmalige NMBS in een glansrol: ‘Brussel veranderde door de spoorlijnen naar Frankrijk en Duitsland van een Nederlandstalige stad in Brabant in een kosmopolitische Europese stad. De ingebruikname van het spoor tussen Parijs en Brussel bracht tussen 1843 en 1853 twintigduizend buitenlandse – vooral Franse – immigranten naar de stad.’

Van canons en een eengemaakte markt

Fascinerend ook hoe hij de canonisering van de klassieke muziek en de realistische kwaliteitsroman in een eengemaakte Europese markt avant la lettre beschrijft. Vrouwen speelden een cruciale rol in de facilitering van de hoofdzakelijk mannelijke uitvoerders ervan, maar zeker niet noodzakelijk. Het is geweten dat literaire romans als populair genre op het einde van de achttiende eeuw vooral een vrouwenzaak waren. En nu opnieuw trouwens. Lezeressen verslonden de emotionele avonturen van Janes Austens beschaafd getormenteerde hoofdpersonages.

In de verspreiding van de klassieke muziek in de betere burgerlijke milieus speelde de introductie van de buffetpiano blijkbaar een belangrijke rol. Jonge dames werden gestimuleerd om de toetsen te bespelen als certificaat voor hun huwbaarheid. Figes: ‘Het bespelen ervan werd gezien als een van de “vaardigheden” die een jonge vrouw tot een aantrekkelijke huwelijkspartij maakte. (…) Bij blaasinstrumenten moesten ze hun lippen tuiten, bij violen met hun lichaam kronkelen, bij cello’s hun benen spreiden. Terwijl ze bij het bespelen van de piano hun voeten decent naast elkaar op de grond houden.’ Je zou voor minder een piano in huis gehaald hebben voor dochterlief.

België piratenland

Maar Figes geeft ook harde data én valuta over het kunstenaarsleven. Wat schuift dat voor een diva om de toppartij te zingen in een opera van Giacomo Myerbeer bijvoorbeeld. Figes legt daarbij haarscherp uit hoe realistische romanschrijvers als Honoré de Balzac, Victor Hugo, Charles Dickens, Ivan Toergenjev & co in de jaren 1850 in heel Europa dankzij vervolgpublicaties van hun romans in kranten maar ook dankzij het auteursrecht eindelijk goed hun brood gingen verdienen. Ook hier dist Figes een pikant detail op wanneer hij fijntjes opmerkt dat het wel ironisch was dat in Brussel het eerste internationale congres over auteursrecht plaats vond. België was immers het paradijs voor piratenuitgaven. Die bijzonder winstgevende roofdrukken werden naar alle landen ter wereld verscheept. Overigens bleef het congres zonder gevolg uiteraard. Daarvoor blijft het wachten tot de conferentie van Bern.

Hij merkt ook op dat de internationalisering van de realistische roman in kleinere taalgebieden weliswaar voor perverse effecten zorgde die tot vandaag spelen. Uitgevers in Nederland  brachten liever vertalingen van bovenvermelde topauteurs uit dan werk van eigen bodem. Dickens in Nederlandse vertaling was voor een Nederlandse uitgever immers veel minder kostenintensief dan werk van Multatuli. Afijn, reden te meer om het belang en succes van Hendrik Conscience voor de Vlaamse letteren toch niet te onderschatten, zoals Johan Vanheckes biografie terecht onderstreept.

Literair aperitief om door te bomen

 

Overdag geschiedenis maar als livre de chevet lees ik mondjesmaat een thriller. V 2 van Robert ‘Cicero’ Harris vertelt over de manier waarop de vliegende bommen tijdens WO II vanuit Scheveningen werden gelanceerd om zo vijf minuten later in Londen dood en vernieling te zaaien. Harris laat de twee kanten van de medaille zien. Een vriend-ingenieur van Wernher von Braun geeft gaandeweg tekst en uitleg bij het ontwikkelen van deze raketten die tot de atoombom zouden leiden (en de eerste astronaut op de maan). Maar ondertussen zijn er aan Engelse kant vrouwelijke militaire assistenten die de lanceerplaatsen van deze V-2’s proberen vast te pinnen, om ze zo te kunnen uitschakelen. Mooi meegenomen dat een van hen ook mijn hometown Mechelen – ‘stil, middeleeuws’ – aandoet, waar de V-2’s in de buurt van het arsenaal én centraal station ook talrijke slachtoffers hebben gemaakt.

Harris is zonder meer de mindere verteller, vergeleken met Figes. Maar zijn documentaire reconstructie van de raketsaga is wel de veel betere schooltelevisie. Het is maar wat je van je lectuur verwacht. Toegegeven, een liefst zo spannend mogelijk verhaal natuurlijk. Maar daarnaast ook een verhelderend inzicht in de wereld van vandaag. Genoeg stof om tijdens het aperitief met huisgenoten of vrienden over door te bomen.

Serendipiteit

Stel dus maar je eigen lijstje samen, beste lezer(es), achteloos flanerend door bib of boekhandel. Zo komen je vaak de beste boeken aangewaaid. Met de nodige tips in het achterhoofd natuurlijk die je onbewust sturen. Serendipiteit heet zoiets. Het aha-Erlebnis bij het lezen van de vondst in kwestie geeft je pas echt een vakantiegevoel dat lang blijft nagloeien.

 

 

Frank Hellemans