Elsschots kwaliteitsmerk: zijn tijdloze Nederlands

Eindelijk is er opnieuw een kloeke, mooi verzorgde omnibus van het Verzameld Werk van Willem Elsschot (1882-1960) verschenen. Athenaeum-Polak & Van Gennep brengt in 848 bladzijden mét leeslint de elf romans van Elsschot en zijn poëzie uit. De uitgeverij die de rechten op het werk van Elsschot opnieuw verwierf, belooft dit jaar nog pocketuitgaves in de Salamander-reeks en luisterboeken. Daarvan zijn er nu al enkele ingesproken, onder anderen door Gene Bervoets (Het dwaallicht). Want ja, de boeken van Elsschot blijven als zoete broodjes verkopen. En dat terwijl werk van andere Vlaamse reuzen als winkeldochters in antiquariaten verstoffen. Hun eigengereid taaleigen — zeg maar West-Vlaams in het geval van Gezelle en Streuvels — speelt hun vandaag serieus parten. Dat het dus ook anders kan, bewees Elsschot.

Mijn trouwe vriendin

Mijn verzamelde Elsschot dateert nog uit 1977 toen uitgeverij Querido het met 800 pagina’s klaarspeelde. Als jonge germanist dweepte ik met vooral Duitse en Franse literatuur. Ik was toen danig onder de indruk van het feilloze Nederlands en de rake stijl van de Antwerpse grootmeester. Een ontgoocheling over Kareltje, de zoon van de sigarenfabrikant De Keizer, die koste wat het kost Latijnse moet doen om advocaat te worden, is nog altijd mijn Elsschot-favoriet. Maar Villa des Roses, de eerste roman die Elsschot in 1913 onmiddellijk bekend maakte in Vlaanderen en Nederland, blijft een topper in het oeuvre van de Antwerpse grootmeester.

Dat het boek ‘dankbaar’ opgedragen was aan Mejuffrouw Anna Christina Van der Tak, ‘mijn trouwe vriendin’, deed toen geen belletje rinkelen. Maar jaren later begreep ik dat Alfons De Ridder, die graag plat Antwerps sprak, het nooit tot Willem Elsschot had geschopt zonder de onbetaalde eindredactie van deze collega-boekhoudster. Zoon Walter De Ridder zou later in een interview met de bekende Nederlandse journaliste Bibeb onthullen dat Van der Tak inderdaad mee aan de basis ligt van het feilloze Nederlands van Elsschot. Dat maakt hem vandaag tot de meest gelezen Vlaamse klassieke auteur. Dat Van der Tak meter was van Elsschots tweede dochter Anna De Ridder spreekt trouwens boekdelen.

Later zou het belangrijke aandeel van Van der Tak in het succes van Elsschot ook door andere Elsschotkenners, zoals Guido Lauwaert, Jeroen Brouwers en Wieneke ‘t Hoen, worden onderstreept. Brouwers schreef er trouwens een verhalend essay over met de veelzeggende titel ‘De muze met het rode potlood’.

Rood potlood

Wie was deze muze met het rode potlood die liever onbekend bleef en over wie Elsschot zich bijna nooit rechtstreeks uitliet? Tenzij in een gesprek met Simon Vinkenoog en in een brief aan Jan Greshoff uit 1934. Daarin geeft hij ruiterlijk toe dat hij zijn manuscripten gewoonlijk eerst aan haar laat nalezen. En corrigeren, mag je hieraan toevoegen. Want dat was wat Van der Tak met Villa des Roses, Elsschots eerste roman dus, uitgebreid deed. De jonge Elsschot vertelt via zijn alter ego Richard Grünewald in dit debuut over zijn esbattementen in een Parijs pension waar hij in 1906 logeerde. Overdag werkte hij als privésecretaris van een dubieuze Argentijnse consul. Die had hem ingehuurd omdat Elsschot blijkbaar ook een mondje Spaans sprak en alleszins zeer goed Frans.

Na die aparte leerschool verkaste twintiger De Ridder naar Rotterdam. Hij werd er chef-correspondent bij een scheepswerf in het naburige Schiedam. Daar stuurde hij vijf andere correspondenten aan. Een van hen was de toen al veertigjarige Juffrouw Van der Tak (1864-1939) die tot aan haar dood ongetrouwd én kinderloos bleef. Van der Tak was van opleiding lerares. Ze kon echter moeilijk aarden in het onderwijs wegens gezagsproblemen in haar klassen. Zeg maar: pesterijen van haar leerlingen. Toen de jonge Elsschot merkte dat ze ook op kantoor werd gepest door de andere werknemers die onder zijn leiding opereerden, nam hij het voor haar op. Zo won hij haar levenslange vriendschap.

Geboorte van een schrijver

Elsschot nam haar in vertrouwen en bracht haar steeds aan het lachen met de in sappig Vlaams vertelde verhalen over zijn lotgevallen in dat pension in Parijs. Keer op keer verzekerde ze hem dat hij die pittige tragikomische anekdotes eens moest opschrijven. En dat zij er dan wel met haar leraarspennetje zou overgaan. Villa des Roses was dus eigenlijk een boek in opdracht geschreven voor zijn muze Anna Christina. Op drie weken tijd zou De Ridder naar eigen zeggen in 1910 de klus hebben geklaard. Daarna was het de beurt aan Van der Tak. Een schrijver was geboren.

Cyriel Buysse, getrouwd met een rijke Haagse én redacteur bij het literaire tijdschrift Groot Nederland, bracht het manuscript in voorpublicatie in het blad. Door verdere bemiddeling van de Nederlandse auteur en vriend-voor-het-leven Ary Delen kreeg hij drie jaar later een contract bij uitgever Van Dishoeck. Hij werd onder anderen door August Vermeylen bejubeld als nieuwe komeet aan het Nederlandstalige literaire firmament.

Zuiver Noord-Nederlands

Recensenten in Noord en Zuid dachten vaak dat ze te maken hadden met een onversneden Nederlandse auteur. ‘Fris Hollands’ werd Elsschots eersteling genoemd. Hij werd geprezen voor zijn ‘zuiver Noord-Nederlands’ en zelfs ‘on-Hollands Frans’ op de wijze van Honoré de Balzac. In dit debuut, dat zich afspeelt in Parijs, wordt vaak een mondje Frans gepraat. De illusieloze treffende stijl oogt inderdaad Balzaciaans.

Later zou nog blijken dat de afscheidsbrief van de zwanger gemaakte dienstmeid Louise in Villa des Roses pas dankzij Van der Taks ingrepen zijn definitieve literaire vorm had gekregen. Concrete details over het redactiewerk van Van der Tak zijn er verder nauwelijks te vinden. Beide hoofdrolspelers hielden de lippen stijf op elkaar. Maar hoe belangrijk Van der Taks taalkundige ingrepen wel waren, staat buiten kijf. En dat ze tot aan haar dood de eerste kritische en bijsturende lezeres was van Elsschots onsterfelijke oeuvre is ook een zekerheid. Dank dus inderdaad aan Elsschots trouwe vriendin. De Vlaamse literatuur plukt er tot vandaag de vruchten van.

Frank Hellemans