Eerherstel voor eeuweling Hubert Lampo

Verleden jaar zou Hubert Lampo (1920-2006) honderd geworden zijn. Zoals Aster Berkhof dat toen gedurende enkele maanden was. Terwijl zoon Jan Lampo het archief van vader Hubert — 30 strekkende meter! — in het Antwerpse Letterenhuis voor verder onderzoek binnenbracht, sprak hij in een driedelige podcast over leven en werk van zijn vader. Wie geen anderhalf uur tijd heeft om naar het openhartige én ontroerende getuigenis van Lampo junior te luisteren, die kan terecht in een beknopt essay van hem over het werk van zijn vader in het winternummer van Zuurvrij, het tijdschrift van het Antwerpse literatuurmuseum.

Literaire paria

Jan Lampo neemt er geen blad voor de mond. Hij vindt dat zijn vader als schrijver onrecht werd en wordt aangedaan. ‘Hoe je van poulain van August Vermeylen en Herman Teirlinck via een Staatsprijs en monsteroplagen een literaire paria wordt, is misschien vooral interessant. Niet voor wie het zelf moet ondergaan, maar voor onderzoekers.’ Klopt dat Lampo, wiens klassieker De komst van Joachim Stiller zomaar eventjes 50 drukken beleefde, nog steeds niet de honneurs krijgt die hij verdient. In De Canon van de Nederlandstalige literatuur die onlangs in boekvorm verscheen, is zijn werk — laat staan zijn naam — nergens te vinden. Terwijl hij tot in de jaren ‘80 misschien wel de meest gelezen auteur in Vlaanderen was. Hoe is het zover kunnen komen?

Tot en met de publicatie van De komst van Joachim Stiller in 1960 leek Lampo nochtans uitverkoren om dé Vlaamse naoorlogse schrijver te worden. Zijn romandebuut Hélène Defraye uit 1945 was een schot in de roos. Lampo borstelde er een fijnmazig portret van een blonde intellectuele vamp die als arts in opleiding in een driehoeksverhouding verwikkeld raakt met de professor-arts én diens zoon. Het doet denken aan Littekens (1990) van Patricia de Martelaere. Daarin zit het vrouwelijke hoofdpersonage Eva, studente geneeskunde, ook gevangen in een dubbelrelatie met een andere student en een architect. De twintiger Lampo werd in de literaire cenakels als nieuw wonderkind binnengehaald. Hij kreeg via August Vermeylen ook het redactiesecretariaat van Het Nieuw Vlaams Tijdschrift in de schoot geworpen.

Wegbereider van Dan Brown

Als kenner van de Franse literatuur vertaalde hij Le grand Meaulnes, de prototypische magisch-realistische roman, van Alain-Fournier. En ook nog onder andere Malpertuis van Jean Ray, verschillende romans van Françoise Sagan en toneelwerk van Jean Anouilh. Ondertussen pleegde hij wekelijks een literatuurbladzijde in de Volksgazet. Nog later ging hij aan de slag als inspecteur van de openbare bibliotheken. Op korte tijd was Lampo dus midden jaren 60 opgeklommen tot dé literatuurpaus in Vlaanderen. Tegelijk gingen zijn romans als zoete broodjes over de toonbank gingen.

Een jongere garde — met Julien Weverbergh en Herwig Leus op kop — zag dit met lede ogen aan. Zij trok fel van leer tegen het literaire establishment dat Lampo volgens hen als geen andere Vlaamse auteur belichaamde. Zijn werk werd spottend als zielloze schrijvelarij en systeembevestigende schoollectuur afgedaan. Lampo trok het zich aan en vluchtte in 1965 van Antwerpen naar het Kempense platteland in Grobbendonk. Hij ging meer een meer de magisch-realistische toer op. Zo bereidde hij in stilte – en met een zekere weerklank in Nederland – het succes van de Dan Browns van deze wereld voor.

Tijdsfragmenten tuimelen over elkaar

In de jaren zeventig en tachtig maakte hij zijn zogenaamde graalromans — later verzameld in Het graalboek uit 1985. Hij ging ook in essays de wortels van de Keltische beschaving verder uitspitten. Van het Stonehenge uit de steentijd tot de middeleeuwen en de zestiende eeuw van de godsdienstoorlogen. In 1994 besloot hij zijn creatief onderzoek naar de graal met De geheime academie, een fantasy-roman. Lampo laat er zijn personages discussiëren over de obscure theorie als zou Jezus met Maria Magdalena een dochter hebben gehad. Hun ouderschap lag aan de basis van een alternatieve Kerk die door de reguliere met hand en tand werd bestreden. Kortom, waar hebben we deze theorieën nog gehoord?

Lampo doorprikt trouwens de plot van Dan Browns De Da Vinci Code (2003). Die haalde zelf de mosterd bij het werk van de Britse auteurs Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln. Allemaal de schuld, aldus Lampo, van een uit de hand gelopen grap van de Franse journalist Gérard de Sède. Die zou in een boekje de vermetele maar apocriefe theorie van de Kerk van Jezus-Magdalena en het geheime genootschap van de Priorij van Sion simpelweg verzonnen hebben.

Om maar te zeggen dat het magisch-realisme van Lampo niet zomaar een schaamlapje was. Toen ik tachtiger Lampo in 2003 — drie jaar voor zijn dood — in Grobbendonk met een Westmalle triple naast hem sprak, vertelde hij over zijn levenslange fascinatie voor de manier waarop verschillende tijdsfragmenten in het persoonlijke leven soms door elkaar tuimelen. Die gelijktijdigheid van op het eerste gezicht onmogelijke, toevallige gebeurtenissen — denk maar aan het fenomeen van het déjà vu — bracht Lampo op het spoor van verder literair onderzoek naar de manier waarop die synchroniciteit tot stand kwam. Hij vertelde me toen dat de quantumfysica met haar vermoeden van parallelle werelden in diezelfde richting ging.

Magische doorgangen

Wie Haruki Murakami leest, wordt in een gelijkaardig magisch-realistisch bad ondergedompeld. Ook al is de stijl van de Japanner met zijn jazzy flow heel anders dan de geciseleerde periodenbouw van Lampo. Jan Lampo vindt die erudiete wijdlopige stijl trouwens niets om zich over te schamen, integendeel. ‘Is zijn vaak verguisde “barokke” zinsbouw (die een mens tegenwoordig ook tegenkomt bij algemeen geachte schrijflieden als Stefan Hertmans of Oek de Jong) … geen stilistisch “feit”?’ En ook de film- en tv-wereld heeft ondertussen de magie van gelijktijdigheid ontdekt. Films van Christopher Nolan — van Memento en Inception tot Interstellar en nu dus Tenet — borduren voort op Lampo’s intuïtie dat er ‘portalen’ zijn. Deze doorgangen in de alledaagse realiteit laten glimpen zien van vroegere of toekomstige werelden. De fantasy-serie His dark materials die momenteel op televisie loopt, is een avontuurlijk doorslagje van de wijze waarop je die andere werelden kunt waarnemen én betreden.

Hoog tijd dus om de magisch-realistische Lampo in het zonnetje te zetten. In 2003 — toen Lampo 60 jaar schrijver was — bracht Meulenhoff Heimwee naar de sterren (2003) uit. Daarin vind je de klassieke ingrediënten van de jonge Lampo, inclusief het tijdloze Joachim Stiller. Een heruitgave van Lampo’s latere graalromans in één band zou de eeuweling Lampo vandaag opnieuw onder de aandacht kunnen brengen. Om nog maar te zwijgen van zijn ondergewaardeerde historische romans, zoals De belofte aan Rachel (1952) en De verdwaalde carnavalsvierder (1990).

Stof voor eindwerkjes

De zoon heeft dus gelijk als hij de vader een canonieke status toedicht. Wie Hubert Lampo vandaag (her)leest, kan alleen maar instemmend knikken en hopen met Jan Lampo dat zijn oeuvre sine ira et studio door een jongere generatie wordt herontdekt. ‘Zijn archief bevat genoeg stof voor vijftig eindwerkjes van studenten Taal- en Letterkunde.’

Frank Hellemans