Een nieuwe sokkel voor Camus, Sartre en Simenon

Byebye 2020, en tot nooit meer. Toegegeven, ons voornemen om minder op café te gaan is geslaagd, en we hebben meer tijd dan ooit gehad om te lezen, maar voor het overige is het meer ‘Look back in Anger’ dan ‘La Dolce Vita’ geweest. Moge die verhouding in het volgende jaar dus omgedraaid worden!

Tijdens de comateuze dagen tussen kerst en nieuw heb ik even een ommetje gemaakt door de Franse letteren. Om te landen bij een nieuwe Nederlandstalige Simenonvertaling.

De comeback van Camus

Slenterend door een enkel voor consumenten geopend Antwerpen dwaalt de geest af, dromend van een tripje naar Parijs. Een van de weinige opbeurende fenomenen die we onthouden van 2020, is de wonderlijke comeback van Albert Camus. Diens roman De Pest uit 1947 groeide tijdens de coronapandemie uit tot een onverwachte bestseller. Het appeal is te begrijpen: kijk, een roman over een dodelijke pandemie en een stad in lockdown. En het hoofdpersonage is een dokter! Eentje die het beter weet dan de anderen, bovendien.

Een nieuwe impuls voor het existentialisme vonden wij wel toe te juichen, zeker in tijden waarin de filosofie in de mainstream herleid werd tot een rist goedverkopende boeken waarin telegenieke psychiaters steeds nieuwe variaties verzinnen op oma’s dooddoener ‘het kan niet alle dagen zondag zijn.’  In de aan Beerschot versus Antwerp gewaagde rivaliteit tussen Sartre-adepten en Camusianen, ging mijn voorkeur altijd uit naar Camus. Misschien omdat Camus’ filosofische schriftuur meer ruimte bood voor twijfel en de menselijke feilbaarheid dan de dwangmatige gelijkhebberigheid van Sartre, maar ook omdat Camus als romancier vaak beter uit de verf komt dan Sartre. Toegegeven, voor opeengepakte terugkeerders op de lichthaven heeft  ‘L’enfer, c’est les autres’ wellicht meer appeal, maar in een klotejaar waarin op de allerlaatste dag van december ook nog een aanslagbiljet van de belastingen in de bus lag, denkt schrijver dezes al snel ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux.’

Als je bedenkt dat Camus aan het eind van zijn leven zo goed als in de ban was gedaan door Sartre en zijn medestanders, is zijn comeback best uitzonderlijk te noemen. Sartre vond namelijk dat Camus met zijn kritiek op het communisme en zijn wankelmoedige houding tegenover het antikolonialisme aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. En toch is het De pest dat de bestsellerlijsten opnieuw binnendenderde, niet Sartres Huis clos, nochtans ook een goede kanshebber in deze tijden van menselijke ophokplicht.

Camus wankelt, maar Sartre ook

Uiteraard  kon in dit tijdsgewricht de anti-Camus-backlash niet uitblijven en hedendaagse critici vinden munitie in de kritiek van zestig jaar geleden. De wijdverbreide en zelden gecontesteerde interpretatie van De Pest als parabel over het opkomende fascisme moet eraan geloven. In het magazine The Jacobin poneert de Camuskenner Oliver Gloag dat de ‘pest’ waar Camus voor waarschuwt zowaar de opkomende Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging geldt. Volgens Gloags opvatting is Camus’ oeuvre een langgerekte poging om het Franse kolonialisme, waarvan hij zelf als telg van een ‘pied noir’-gezin deel uitmaakte, te rechtvaardigen. ‘De favoriete profeet van de Franse neoliberale, inauthentieke, intellectuelen’, zo serveert Gloag Camus af, helemaal in de geest van Sartre.

Al moet gezegd worden dat ook Sartre inmiddels op zijn sokkel staat te wankelen. Un tout autre Sartre, een nieuwe, beknopte biografie van de Franse filosoof en radiomaker François Noudelmann, werpt een nieuw licht op de wereldster-filosoof. Op basis van privéarchieven en herontdekte correspondenties slaagt Noudelmann erin om Sartres strak gecultiveerde imago van maoïstische scherprechter en workaholic bij te stellen. Het levert een vlot leesbaar boek op, waarin blijkt dat Sartre buiten het licht van de schijnwerpers, wanneer er niet op hoge toon moest worden gestreden voor een rechtvaardiger wereld, ook weleens gewoon graag op vakantie ging of een streepje muziek tokkelde op de piano. Relatief onschuldige liefhebberij die evenwel als ‘bourgeois’ te boek stond en dus best onder de radar bleef. Of dat Sartre, in weerwil van zijn imago van gedopeerde werkmaniak, openlijk uitkomt voor de tegenzin waarmee hij aan zijn schrijftafel gaat zitten.

Noudelmann gaat zelfs op zoek naar een streepje ‘queer’ gevoeligheid bij Sartre, ongetwijfeld enigszins aangespoord door een uitgever die munt wil slaan uit de tijdsgeest, maar komt, enkele geestige verkleedpartijtjes niet te na gesproken, van een kale kermis terug. Het être-pour-soi blijkt dan toch vooral een masculiene constructie te zijn. Tja.

Profileringsdrang

Minder onschuldig is de suggestie dat hij zijn kritiek voor de Sovjet-Unie lange tijd voor zich hield om zijn affaire met een Russische vertaalster niet te compromitteren. Of de manier waarop Sartres vlammende inleiding bij Franz Fanons Les Damnés de la terre totstandkwam: Fanon verwijt Sartre zijn Franse afkomst en gebruikt dat identitaire argument om Sartre als het ware moreel te chanteren. De filosoof mag dan wel een medestander zijn die Fanons strijdvaardigheid en verontwaardiging grotendeels deelt, in Fanons ogen betoont hij nog niet genoeg ‘schuld’ voor zijn Franse (‘witte’) afkomst. Sartre schakelt dan maar een versnelling hoger om toch maar luid en schril genoeg voor de dag te komen.

Wellicht moet ook zijn karaktermoord op Camus in dezelfde context van linkse profileringsdrang worden gezien. Noudelmann lijkt zelf enigszins verveeld te zitten met het effect dat zijn boek heeft op de nalatenschap van Sartre. ‘A chacun son Sartre’, krabbelt hij aan het einde van zijn studie nog even terug. Mja, de onvoorwaardelijke Sartrefans zullen dit summiere boekje snel afserveren, terwijl overigens vooral liefhebbers van la petite histoire van deze studie zullen smullen. Vooral de dynamiek van morele chantage en spionage die Noudelmann reconstrueert, is ontluisterend.

Simenon en het kolonialisme

Nu we toch standbeelden aan het omzagen zijn: ook Simenon komt weer even in het vizier. Het goede nieuws is dat de reeks mooi verzorgde vertalingen door De Bezige Bij wordt verdergezet. De reeks werd in 2014 gelanceerd, lag een tijdje stil, maar wordt nu blijkbaar weer vlot getrokken. Voor het eerst is ook Le coup de lune vertaald: het verschijnt bij De Bezige Bij als Manesteek.

Die roman, die sterke invloeden vertoond van Simenons werk als reporter in Afrika in het midden van de jaren 30, laat zich lezen als een kritiek op de morele leegte en wreedheid van het Franse en Belgische kolonialisme. Simenon zelf had geen hoge pet op van het geromantiseerde Afrika. ‘L’Afrique vous parle: elle vous dit merde’ was de ondertitel van zijn reportagereeks. Manesteek, met zijn intrige vol bedrog, overspel en tropische ellende zet die mentaliteit om in een ‘roman dur’ van grote klasse. Kuifje in Afrika is het hoegenaamd niet.

De wokebrigade duikt op

De man van 10 000 vrouwen (en 600 romans) is nog opvallend lang uit de klauwen van de wokebrigade gebleven, maar anno 2021 duikt er alras een probleem op. Simenon, die daarin niet verschilt van zijn tijdgenoten, is nogal kwistig met het woord ‘nègre’. En om dat nu gewoon te gaan vertalen, tja, dat ligt toch wel gevoelig. Vertaler Rokus Hofstede voegt een notitie toe: waar het ‘n-word’ enkel ‘verwijzend’ wordt gebruikt, vertaalt hij het met het neutralere ‘zwarten’, wanneer de context het niet vereist zijn raciaal gekleurde termen helemaal achterwege gelaten, enkel wanneer de personages werkelijk racistisch uit de hoek komen wordt het ‘n-woord’ as such vertaald. De ‘blancs’ heten overigens nog gewoon ‘blanken’, de term ‘witten’ zou te  anachronistisch aandoen. Ook Simenonfans kunnen kortom de nieuwe wind niet negeren.

À propos, in de nieuwe reeks vertalingen is ook Les inconnus dans la maison opgenomen. Geen Maigret, maar wederom een van Simenons ‘romans durs’ uit 1941. Een bende losbandige jongeren uit de bourgeoisie van een slaperig Frans provinciestadje wordt beticht van een moord in hun midden. Advocaat Loursat, wiens dochter op het beschuldigdenbankje belandt, besluit zijn alcoholische letharigie even te onderbreken om de jongeren vrij te pleiten. Aan het einde heeft de enige Jood in hun midden het gedaan, zoals wel vaker in de vroege Simenons. Maar daar hoeft blijkbaar geen woordje uitleg bij.

Michiel Leen