Een monument voor Gerard Van Menxel

Afgelopen zaterdag werd in Schoten afscheid genomen van Gerard Van Menxel. Goed mogelijk dat u nog nooit van de man gehoord hebt. Maar Michiel Leen neemt zijn hoed af voor deze stille voorvechter voor kunst en letteren.

Er zijn mensen die met kleine gebaren een groot verschil kunnen maken. Gerard Van Menxel was zo’n man. Is zo’n man, wil ik schrijven. Is geweest.

Het spijt me, lezer, als ik u weer eens meetroon naar de toog van het Antwerpse boekencafé Boekowski, maar het is nu eenmaal de context waarin ik Gerard leerde kennen. Ergens in 2017 moet dat geweest zijn. Temidden van de zich gestaag ontwikkelde fauna van het boekencafé – een altijd boeiende mix van verwoede kaarters, gesjeesde freelancers en ‘first daters’ die indruk probeerden te maken bij hun geswipete veroveringen – trof je ook met regelmaat een man die zich enigszins afzijdig hield van het gewoel, en die met de waardigheid van een vermoeide hidalgo zijn hoek van de toog bezet hield. Brede schouders, halflang grijs haard, baard, snor en bril. Gerard. De Gerard.

Gaandeweg raakten we aan de praat en leerde ik Gerard kennen als een erudiete liefhebber van muziek, boeken en beeldende kunst. In zijn huize ‘Solglimt’ (een Zweeds woord voor een opstoot van zonneschijn) in Schoten organiseerde hij zelf huiskamerconcerten, exposities, poëzieavonden en try-outs. Voor de manier waarop Gerard zich inzette voor de kunst, hebben de Britten het fraaie woord ‘grassroots’ bedacht. Gerard deed het niet voor de ‘uitstraling’ of het ‘internationaal prestige’ waar onze officiële kunstbeleidsinstellingen zo graag mee dwepen, maar eenvoudigweg uit liefde voor de schoonheid en de kunst.  Niet voor zichzelf en niet voor de massa, maar voor wie op zijn golflengte zat van oprechte bewondering. Met geen ander wapen dan die paar vierkante meter van zijn woonkamer en alle stoelen die het huis rijk was. Honderd keer beloofd dat ik zou komen. Een keer ben ik er geraakt. Verdomme toch.

Een kroegtijger was Gerard niet. Je trof hem met regelmaat in Boekowski, maar dat had even veel te maken met de muziek- en podiumprogrammatie als met de solidariteit die hij koesterde voor cafébaas Lucas, zijn oude makker die – meer idealist dan zakenman – na zijn afscheid van het welzijnswerk een literair café was begonnen op het Zuid.

Ook elders te lande kon je Gerard aantreffen. Zelfs op een druilerige herfstavond die in Limburg, bij een expositie van Koen Broucke. Ik herkende hem meteen. De hidalgo in zijn vierkant geschouderde, grijze overjas. Verrast elkaar daar te treffen. En tegelijk ook weer niet.

Hij had iets verstilds over zich. Geen ostentatieve treurnis, maar een melancholie, geput uit een diepe bron. Een keer hebben we daarover gesproken, van man tot man, zomer 2018, mijn eigen summer of discontent, voor een keer niet in Boekowski, maar elders in de binnenstad, waar ik ook maar verzeild was. Verrast en toch ook weer niet. Toen hebben wij gepraat over onze levens en verdrieten en elkaar begrepen. Mijn toenmalige honk op de Vlaamse Kaai lag helemaal niet op de weg tussen Antwerpen-centrum en Schoten, maar toch gaf hij me een lift naar huis. Zo was Gerard.

Toen een genadeloze ziekte zijn programmering kwam doorkruisen, verraste Gerard iedereen (zichzelf misschien nog het meest) door het podium te beklimmen met een gitaar en zijn blues te schouderen als een wapen. Op zijn verjaardagsfeest in Boekowski zag ik hem voor het laatst en zong hij weer dat lied. Met als refrein: ‘the sun goes down.’ Er bestaan opnames van, beeld en geluid. Ik kan er niet meer naar kijken.

De kunsten verliezen met Gerard Van Menxel een vriend, een man die te bescheiden was voor een monument, maar die er een verdient. Op een plaatsje in de zon.

Michiel Leen