Edgar du Perron versus Paul van Ostaijen

De hartchirurg die mijn tweede harttransplantatie heeft uitgevoerd – niet in zn eentje maar als hoofd van een team, uiteraard – is met pensioen en heeft zijn memoires gepubliceerd. Hij bezorgde me een exemplaar van het boek. Ik laat het goede nieuws via een mail weten aan een gezamenlijke vriend, met de vraag of we elkaar zien bij koffie en koek en het boek tussen ons in. Hij mailt me dat hij enkele dagen in Duitsland zit en tussendoor de biografie leest van Edgar du Perron.

Centrale figuur

Het bericht voert me honderd jaar terug in de tijd. Ik was toen weliswaar nog niet geboren, maar het interbellum ligt me na aan het hart. Met als centrale figuur Paul van Ostaijen, een man met wie ik me verwant voel. Niet zozeer met zijn literair talent, maar met zijn karakter. Net als ‘de Pol  ga ik mn eigen weg, ben ik opvliegend, ongeduldig en uitermate secuur in de keuze van vrienden.

Van Ostaijen werd tijdens zijn leven geschuwd. Omdat hij in de kroegen te pas en te onpas op een tafel sprong en zijn gedichten zong, werd hij Zot Polleke genoemd. Toch wist de cravattenclub van de literaire wereld dat Van Ostaijen van grote betekenis was, al kon men die niet definiëren. In dat verband is het amusant de anekdote te vertellen over Van Ostaijens relatie tot de ‘Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen. Ze staat in de biografie.

Schommelrelatie

Hij was lid van die club, maar – volgens Du Perron ‘hij vond het onaangenaam daar contributie voor te moeten betalen; hij wilde dus van het lidmaatschap afzien, maar ‘men, zei hij, wilde hem dan voor niets, en hield hem aan. – ‘Maar waarom eigenlijk, vroeg ik hem, zijn ze daar zo op je gesteld? – Ik zie er maar één reden voor, zei hij. Ze denken: “Je kunt nooit weten: áls die kerel nu later toch een groot man blijkt te zijn, kunnen ze van ons tenminste niet zeggen, dat wij hem hebben verguisd.”

Door de anekdote lijkt het of Du Perron en Van Ostaijen goeie vrienden waren. Dat was niet het geval. Het was eerder een schommelrelatie, binnen een literaire broederschap. Zeven jaar na de dood van Van Ostaijen in 1928 zou Du Perron nog verklaren – ondanks de grote doorbraak van PvO meteen na zijn dood – dat de poëzie van zijn Vlaamse vriend hem ‘altijd maar half heeft aangestaan en dat hij zijn proza ‘stilistisch gesproken, altijd heel leelijk [hoewel curieus] had gevonden.

Dubbele bodem

Jaloersheid ligt mee aan de basis van de gespannen relatie tussen beide letterkundigen, dat valt niet te weerleggen. Hoewel Van Ostaijen niet de erkenning kreeg die hij verdiende, was hij wel de centrale figuur van het Antwerps literaire wereldje van het eerste kwart van de 20ste eeuw. Met als directe buurtgenoten Gaston Burssens en de gebroeders Oscar en Floris Jespers. Dat stak bijwijlen Edgar du Perron. Hij vond het vervelend, om een treffend voorbeeld te noemen, dat Van Ostaijen zijn drie kompanen in zijn gedichten verwerkte of er een aan hen opdroeg, en hem vergat.

Toch is het De Perron gelukt een gedicht ‘te versieren. Van Ostaijen schreef het – om van het gezeur verlost te zijn – op zijn ziekbed in het sanatorium waar hij verbleef als TBC-patiënt. Het is het vijfde laatste gedicht dat hij geschreven heeft. Du Perron pronkte ermee, hoewel het onderhuids de relatie tussen beide heren puntgaaf weergeeft. Om de dubbele bodem ten volle te begrijpen volgt zo meteen het gedicht, gevolgd door de verklaring.

ALPEJAGERSLIED

Voor E. du Perron

Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak   vóór   de   winkel   van   Hinderickx   en   Winderickx   van   de
beroemde  hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende

eenmaal elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren

Verklaring

Beide heren passeren elkaar voor de deur van een hoedenwinkel. Pol Van Ostaijen en Edgar du Perron, want dat zijn de beide heren, nemen voor elkaar hun hoed af. Niet zomaar een hoed, maar een hoge hoed. Hij staat symbool voor de poëzie. Maar de ene heer daalt en de andere heer klimt. Figuurlijke betekenis ervan is dat de ene op de andere neerkijkt en de andere naar de ene opkijkt.

Dat Van Ostaijen de dalende heer is en Du Perron de opklimmende kan men beter begrijpen voor wie de correspondentie tussen beide heren kent. Die is niet in de biografie te vinden, maar wel in het studiewerk van Gerrit Borgers, daterend van 1971, ‘Paul van ostaijen / een documentatie.

Elk zn eigen weg

Hoewel ze voor elkaar een zeker respect hebben, blijft er een kloof bestaan. Du Perron, van huize uit zeer bemiddeld, kocht vriendschap door met geld te strooien. Dat stond Van Ostaijen niet aan. Daarom dat er bij de ontmoeting geen nauw contact is. De heren in het gedicht houden daarom niet halt voor de hoedenwinkel. Sterker zelfs ‘eenmaal elkaar voorbij zetten beide heren hun ‘eigen hoed op het eigen hoofd.

En daar gaan ze, elk zijn eigen weg. Geen toegeving, o nee. Anders gezegd: ook in zijn poëzie blijft Van Ostaijen een criticus. Het enige respect dat Van Ostaijen voor De Perron betoont zit hem in de slotregels: ‘dat is hun recht / dat is het recht van deze beide heren.
Dat het gedicht Alpejagerslied  heet, slaat, tot slot, op de top die beiden willen bereiken maar elkaar niet gunnen.

Weer eens blijkt dat zelfs in elk gedicht naast de moraal een verhaal zit. Samen vormen ze het kabaal van het gedicht. Heb ik gelijk of heb ik gelijk?

Guido Lauwaert