Du côté de chez Goudeseune

Donkere dagen tussen kerst en nieuwjaar. En uitgerekend nu vraagt den Hellemans mij om een paar weken zijn Boekenland te bestieren. De peuk van het jaar is traditioneel het moment waarop ten huize Leen de rolluiken naar beneden gaan, de kachel wordt opgepookt en de wereld buitengesloten met een dubbele winterdeken en op tijd een deftige borrel. Tot activiteit ben ik dan niet te porren, ten prooi aan een gevoelsmelange waarin vermoeidheid, verveling en melancholie de hoofdtoon voeren. Men wenst de wereld slechts tegemoet te treden mits gulhartige bemiddeling door de firma Lucas Bolsward & Zonen. Deze toestand duurt ongeveer een week. Hij klaart traditioneel op na het nieuwjaarsmorgendse bezoek aan de glasbak. Daarop volgt ongeveer een week optimisme over het net aangebroken jaar.

Vooralsnog ruim ik mijn voornemens van het rotjaar 2021 op. De werkeloze sportspullen, de onverstuurde brieven, een stapel bestaande uit ongeveer de helft van de boeken die we in 2021 hadden willen lezen, en natuurlijk Prousts A la recherche du temps perdu, die inmiddels alweer maanden stof ligt te vangen met de bladwijzer halverwege ‘À la côté de chez Swann.’ Weg ermee, met dit onaffe jaar.

Bernard Dewulf

Op 23 december ontviel ons dan ook nog de dichter Bernard Dewulf. Toegegeven, ik heb me weleens afgevraagd of wekelijks twéé stukken van zijn hand in de overstuffed sandwich van de Standaard-weekendkrant misschien niet te veel van het goede was. Maar in een tijd die al zo van troost en schoonheid verstoken is als deze, komt het verscheiden van de zinnelijke kijker die Dewulf was, als een mokerslag.

Wie hem alleen kent van zijn stukken in de krant, doet hem oneer aan. Dewulf debuteerde in de lichting van Twist met ons (samen met Eric Spinoy, Charles Ducal en Dirk van Bastelaere, ingeleid door Benno Barnard). Samen met Frank Albers vocht Dewulf tegen de bierkaai om het Nieuw Wereldtijdschrift, nog steeds het beste periodiek dat in Vlaanderen ooit is uitgegeven, na de dood van Herman De Coninck voort te zetten. Ook was hij een prominent slachtoffer van de kaalslag bij de krant De Morgen in 2009. Daarna maakte Dewulf, net als veel andere sterkhouders van De Morgen, de overstap naar De Standaard. Hij was stadsdichter van Antwerpen toen die onderscheiding nog iets voorstelde. Libriswinnaar. En ga zo nog maar een tijdje door. Zijn talent en verdienste vallen niet te minimaliseren. Talrijke collega’s en medestanders brachten hem, ontroerd en dankbaar, een eerbetoon in de krant en op de radio.

Koenraad Goudeseune

In het rouwkoor ontbrak één stem. Een stem waar ik op de dag van Dewulfs overlijden al mee bezig was. Op 23 december 2016, zo bleek uit het herinneringsbulletin van Zuckerbergs tijdverliesmachine, zat ik voor het laatst aan de verweerde schrijftafel in het Gentse schuilhol van de schrijver en dichter Koenraad Goudeseune. Goudeseune en ik probeerden ter gelegenheid van zijn roman De dood van Prince tot een vraaggesprek te komen over leven en schrijverschap. Een eerder gesprek in oktober had een aantal losse eindjes opgeleverd die we voor het jaareinde nog snel aan elkaar wilden knopen.

Het was best geestig, moest ik toegeven, urenlang naar Goudeseunes tirades te luisteren. Steevast gericht op een kaste van succesvolle, of toch minstens gefêteerde auteurs die hij quasi zonder uitzondering als talentloos beschouwde, overschat, over het paard getild, indien al niet eroverheen geschoten met het soort kanon waarmee men van een mug een olifant maakt. Enzovoort, enzoverder. Wie na een literair gebeuren al eens aan de tapkast blijft hangen met de auteurs die voor de pauze het podium op moeten, kent deze riedel. Maar niemand draaide hem af met zoveel stijl en wrange humor als Koenraad Goudeseune.

Parnassus

Althans, zo leek het toch wanneer hij zijn monologen live mocht aftsteken voor mij en mijn opnameapparaat, verschanst in zijn doorrookte honk niet ver van de Gentse Dampoort — de Hagelandkaai, wat mij, als ingezetene van die godvergeten driehoek tussen Aarschot, Tienen en Diest meteen voor hem innam. Namen? Je kunt ze zelf wel invullen, het zijn al dertig jaar dezelfde en over dertig jaar wellicht nog steeds. Ach, wat kon dat Vlaamse wereldje hem nog schelen? In zijn boekenkast stond Recherche — aan wie Goudeseune het motto van zijn roman De dood van Prince ontleende — op een ereplaats. Op de piano lag een partiturenboek met Bach. Dàt was het niveau waarop hij wilde wedijveren.

Maar eenmaal van de Parnassus afgedaald zag hij zich weer geconfronteerd met het succes van de anderen. Voor zover die hun succes niet te danken hadden aan hun status van coryfee bij radio, televisie of krantenpers. Andere coryfeeën wendden hun programma’s en rubrieken dan weer aan om kritiekloos het kunstenaarschap c.q. het genie van hun praatgasten officieel te maken, etc., etc. Weer een halfuur tape om uit te typen. Het zat hem, in die laatste dagen van 2016, duidelijk hoog. En ik lepelde het graag op, moest ik toegeven.

Slagzij

Daarna volgde evenwel een drempel waarop het project finaal te pletter liep. Hoe maak je van een kleine vier uren geïnspireerd gal spuwen een leesbaar interview waar de geïnteresseerde lezer ook wat aan heeft?

Het vraaggesprek begon fataal slagzij te maken toen ik probeerde te achterhalen waar het mis was gegaan met die carrière van hem. Want die was toch begonnen met publicaties in NWT en DWB. Een opgemerkt debuut, goede kritieken, contract bij een grote uitgeverij, literaire vriendschappen (o.a. met Benno Barnard). Maar die in de latere jaren leek ze te sputteren. Met steeds kleinere oplages bij steeds kleinere uitgeverijen. 

Ik ontdekte alras dat hij nog een talent had: ambras maken. Op het dwangmatige af. Goudeseune kon als geen ander ruzie zoeken en maken. Op Facebook, in brieven en polemieken.

Over Dewulf schrijft hij in ‘Wat duurt op drift zijn lang’. ‘De bard slaagde er eens in me in mijn gezicht te zeggen slechts één gedicht uit mijn debuutbundel een gedicht te vinden. Men kan natuurlijk niet streng genoeg zijn, maar van dat soort pauselijk commentaar moet uitgerekend hij zich verre houden, want naar dat éne gedicht uit zijn debuutbundel zou ik nog altijd op zoek zijn als ik dat zoeken niet vele jaren geleden reeds had gestaakt. ‘

Ironie

Ruzie zoeken deed Koenraad Goudeseune met volle teugen, tegen iedereen en ten slotte ook tegen mij. De tekst van het interview was niet naar zijn zin. En bovendien kende ik mijn vak niet. Enzovoort, enzoverder. Ik heb hem niet van antwoord gediend. In mijn leven was inmiddels een grote chaos losgebarsten. Indien het cliché wil dat passies opnieuw kunnen opflakkeren, dan had zich in mijn gevoelsleven het fenomeen voorgedaan waarbij men meent dat het vuur geblust is, maar waarbij door een onverhoeds manoeuvre de vlammenzee toch weer verzengend heropleeft. Met niet te overziene schade tot gevolg. In de maanden die volgden op het onderhoud bij Goudeseune, zou ik omwille van die volgehouden chaos amper nog een letter schrijven. Met zijn suggestie om het interview als een briefwisseling weer vlot te trekken, hebben we nooit iets gedaan. Dat ligt ook aan mij.

Ik heb hem nog één keer ontmoet, bij de voorstelling van Cruise van Christophe Vekeman in 2019. Plots stond hij vlak achter me, vervaarlijke baard (wat wees op een periode van intense schrijfarbeid), leren jekker. ‘Ken je me nog?’ De toon tussen spottend en dreigend. Ik nam me voor om ooit, eens, de draad weer op te pikken van onze conversatie. Het is er nooit van gekomen. Op 9 december 2020 overleed Goudeseune na euthanasie, nauwelijks 55 jaar oud.

Met een half decennium temps perdu als bedenktijd meen ik: aan zo’n interview, zo’n verzameling letterlijke citaten, viel voor hem niets te verliteraturen. En dàt moet voor hem een ondraaglijke gedachte geweest zijn.

Dus ja: in tijden als dezen, waarin de hagiografieën niet van de lucht zijn, durf ik me weleens af te vragen: what would Koenraad Goudeseune do?

Zijn nagelaten gedichten zijn aangekondigd voor februari 2022. Bij uitgeverij Atlas Contact. Talent voor ironie heeft Goudeseune altijd gehad.

Michiel Leen