Doorbraakcanon van de moderne Vlaamse literatuur

De Vlaamse letteren zijn veel rijker dan de Gentse académiciens met hun pantheon van amper vier (4!) Vlaamse schrijvers na 1940 ons willen doen geloven. Een rechtzetting.

Populistische capriolen

Afgelopen week was de week van de canon. In Nederland werden de vensters van de historische canon nog eens afgesponsd — Maria van Bourgondië erin en Keizer Karel eruit — en de Gentse letterenacademie defenestreerde de ‘misselijkmakende Jef Geeraerts met zijn Black Venus en haalde dan maar Jan Wolkers binnen in zijn plaats. Tja, de fel bevochten autonomie van het literaire kunstwerk moet zelfs binnen de Gentse salons van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL) blijkbaar wijken voor de populistische capriolen van de tijdgeest.

Maar van al die canonheisa wordt de Vlaamse schrijver niet echt beter. Twee weken geleden stelde ik hier al dat de Vlaamse niet-middeleeuwse auteur er maar bekaaid van af komt. Zeker als die auteur in de eerste plaats essayist, jeugdschrijver of een vrouw is. Trouwens, de Vlaamse académiciens van de KANTL deden met hun 50 canonieke werken uit de Nederlandstalige letteren het werk van hun Nederlandse academie-collegas eigenlijk gewoonweg over. Zij het met ietsje meer aandacht voor Vlaamse inbreng.

Flemish writers matter

Maar dan nog. Buiten het gemeenschappelijke Vlaamse middeleeuwse aandeel blijven Vlaamse schrijfsters en schrijvers in beide canons glorieus ondervertegenwoordigd. Van de 50 canonieke auteurs in het lijstje van de KANTL zijn er zeggen en schrijven slechts vier Vlaamse auteurs die een  spraakmakend werk publiceerden sinds 1940: Willem Elsschot, Louis Paul Boon, Ivo Michiels en Hugo Claus. In die zin is het veelbetekenend dat de Gentse Academie in plaats van de verketterde Geeraerts twee nieuwe Nederlandse romanauteurs heeft binnengehaald — Frederik van Eeden namelijk met zijn Van de koele meren des doods en de al geciteerde Wolkers met Turks fruit. Terwijl aan Vlaamse kant alleen Pallieter van Felix Timmermans aan boord werd gehesen.

Hoog tijd dus om dan maar zelf een  canon van de Vlaamse letteren naar voor te schuiven, met de focus op de moderne Vlaamse literatuur vanaf 1800. Want Flemish writers matter. Wie weet kunnen de bedenkers van de eindtermen Nederlands in het secundair onderwijs en zeker die van de sleutelcompententies in de lerarenopleidingen er straks hun voordeel mee doen. Om nog maar te zwijgen van de literair-culturele eerstelijnszorgers zelf: de leraars die zich hopelijk door deze canon kunnen laten inspireren om ook eens recente Vlaamse schrijvers, genre Jotie T Hooft, Herman de Coninck, Paul Snoek, Daniël Robberechts, Anton van Wilderode, Hubert van Herreweghen of Patricia de Martelaere, in hun lessen aan bod te laten komen.

Voormoderne consensus

Over het Nederlandse en Vlaamse literaire erfgoed vóór de moderne tijd bestaat zowel in Nederland als in Vlaanderen, zoals gezegd, een ruime consensus. Beide officiële canons — die van de Nederlandse literatuur van de Maatschappij der Nederlandse Letteren en die van de KANTL — schuiven dezelfde auteurs en werken naar voor in de periode vanaf de middeleeuwen tot grosso modo de barokliteratuur in de zeventiende eeuw: van Hendrik van Veldeke, Hadewijch en Willem ‘Reinaert de Vos die Madocke maakte tot Bredero, P.C. Hooft, Joost van den Vondel en Constantijn Huygens.

Vlaamse bibliotheek

In 2008 maakte ik samen met Karl van den Broeck al eens de oefening van een Vlaamse literaire canon van de middeleeuwen tot vandaag. Enkele jaren daarvoor had literatuurwetenschapper Hugo Bousset voor uitgeverij Houtekiet een heuse Vlaamse bibliotheek samengesteld met 37 topwerken die focusten op een volgens Bousset cruciale periode in de Vlaamse letteren:  die tussen 1927, toen Maurice Roelants met Komen en gaan de volgens Bousset eerste Vlaamse modernistische roman van belang pleegde, en 1970 wanneer Paul de Wispelaeres Paul tegenpaul verscheen.

Doorbraaks canon van de moderne Vlaamse letteren begint met het iconische De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience uit 1838 en sluit af met De bulleman en de vogels uit 2015 van magiër-dichter Hubert van Herreweghen. O ja, en ook de stripauteurs werden niet vergeten (alhoewel, een excuustruus, zullen sommigen riposteren). Misschien is het maar rechtvaardigheid in latere versies eveneens meer aandacht te besteden aan zeldzame talentrijke theaterschrijvers, zoals Jozef van Hoeck (Voorlopig vonnis) of Tone Brulin (De honden), die helemaal vergeten zijn.

37 meer (andere) Vlaamse auteurs

Wie deze canon met die van de Gentse Academie contrasteert, zal merken dat hier maar eventjes 37 (!) auteurs opduiken die je in de pas geüpdatete KANTL-versie ervan — zonder Geeraerts nu dus ook — nergens aantreft. Om maar te zeggen dat onze letteren veel rijker zijn dan de KANTL wil doen geloven. Nogmaals, het kan toch niet dat er in de Vlaamse literatuur sinds WO II — de laatste 80 jaar dus — buiten Willem Elsschot, Louis Paul Boon, Ivo Michiels en Hugo Claus geen enkele Vlaamse auteur iets van blijvende waarde heeft geschreven, zoals de KANTL-canon suggereert.

Doorbraaks canon van de moderne Vlaamse literatuur (1838-2015)

1. Hendrik Conscience: De Leeuw van Vlaanderen (1838)
2. Charles de Coster: De legende van Tijl Uilenspiegel (1867)
3. Anton Bergmann: Ernest Staes, advocaat (1874)
4. Guido Gezelle: Tijdkrans (1893)
5. Cyriel Buysse: Het recht van de sterkste (1893)
6. August Vermeylen: De wandelende jood (1906)
7. Virginie Loveling: Een revolverschot (1911)
8. Felix Timmermans: Pallieter (1916)
9. Karel van de Woestijne: De boer die sterft (1918)
10. Ernest Claes: De Witte (1920)
11. Paul van Ostaijen: Bezette stad (1921)
12. Stijn Streuvels: Het leven en de dood in den ast (1926)
13. Richard Minne: In den zoeten inval (1927)
14. Lode Zielens: Moeder, waarom leven wij? (1932)
15. Filip de Pillecyn: Monsieur Hawarden (1935)
16. Maurice Gilliams: Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936)
17. Albert Van Hoogenbemt: De stille man (1939)
18. Gerard Walschap: Houtekiet (1939)
19. Gaston Burssens: Fabula rasa (1945)
20. Willem Elsschot: Het dwaallicht (1946)
21. Johan Daisne: De man die zijn haar kort liet knippen (1947)
22. Jan van Nijlen: De dauwtrapper (1947)
23. Marnix Gijsen: Klaaglied om Agnes (1951)
24. Louis Paul Boon: De Kapellekensbaan (1953)
25. Raymond Brulez: Mijn woningen (1950-1954)
26. Piet van Aken: Klinkaart (1954)
27. Willy Vandersteen: Lambiorix (1954)
28. Hugo Claus: De Oostakkerse gedichten (1955)
29. Herman Teirlinck: Zelfportret of het galgemaal (1957)
30. Ivo Michiels: Journal Brut (1958)
31. Hubert Lampo: De komst van Joachim Stiller (1960)
32. Maria Rosseels: Dood van een non (1961)
33. Jos De Haes: Azuren holte (1964)
34. Jef Geeraerts: Black Venus, Gangreen 1 (1968)
35. Gust Gils: Berichten om bestwil (1968)
36. Herman de Coninck: De lenige liefde (1969)
37. Roger Van de Velde: De knetterende schedels (1969)
38. Paul Snoek: Gedichten voor Maria Magdalena (1971)
39. Ward Ruyslinck: Wierook en tranen (1973)
40. H. C. Pernath: Mijn tegenstem (1973)
41. Loeki Zvonik: Hoe heette de hoedenmaker? (1975)
42. Jotie THooft: Junkieverdriet (1976)
43. Anton van Wilderode: De vlinderboom (1985)
44. Rita Demeester: Stampvoeten in het donker (1989)
45. Kamiel Vanhole: Een demon in Brussel (1990)
46. J.M.H.Berckmans: Café De Raaf nog steeds gesloten (1990)
47. Patricia de Martelaere: Een verlangen naar ontroostbaarheid (1993)
48. Daniël Robberechts: Nagelaten werk (1994)
49. Dirk Verbruggen: De dagbewaarder (2003)
50. Hubert van Herreweghen: De bulleman en de vogels (2015)

Frank Hellemans