Dirk Stallaert: ‘Vandaag ben ik een underdog.

Dankzij het verschijnen van De sonometer (het zogenaamd onafgewerkte Suske & Wiske-album uit de blauwe reeks) leek het gepast de tekenaar van dat stripverhaal Dirk Stallaert te interviewen. Momenteel werkt hij aan een album van Kiekeboe. Daarna zal hij 65 jaar zijn en dus officieel op pensioen kunnen. Een geschikt moment om terug te blikken op een zeer aparte carrière, de staat van de stripcultuur op te maken en vooruit te kijken met een van de belangrijkste striptekenaars van de laatste drie decennia.

Hoe kwam Standaard Uitgeverij uit bij Dirk Stallaert om dit bijzonder album te tekenen?

‘Anderhalf jaar geleden vroeg Toon Horsten me of ik De sonometer wou tekenen. Ik wist niet dat ze dat van plan waren. Uiteraard zag ik dat wel zitten. Ik vond het een beetje raar dat een Fransman het scenario zou schrijven. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar hij tekent blijkbaar ook stopcomics. Hij had heel het scenario uitgeschetst in zijn eigen stijl. Zon album maken is geen gemakkelijke opdracht omdat er al iets was. Dat iets was niet veel. Bovendien draaide het rond het redelijk gedateerde gegeven van een professor en een uitvinding die slechteriken willen stelen. Nu ja, de hele reeks van Pom is daarop gebaseerd. Zon plot uitwerken is aartsmoeilijk. Het tekenen is iets anders natuurlijk.

[media-credit name=”Dirk Stallaert, Willy Vandersteen” align=”alignleft” width=”212″][/media-credit]

De receptie was anders niet onverdeeld positief, raakt je dat?

‘Ik kan niet zo goed tegen kritiek, maar als je op een podium kruipt moet je tegen de tomaten kunnen. Het op het podium kruipen heeft een zekere arrogante kant.

Marc Sleen kwam graag op tv. Die kon dat. Hij vond het fantastisch om op straat herkend te worden. Al gebeurde het meer dan eens dat mensen die Sleen herkenden als de striptekenaar van op tv, hem “meneer Vandersteen” noemden en dan was hij heel woedend.

Hoe lang werkte je aan de Sonometer?

‘54 platen of eigenlijk 55 is veel toffer dan die korte albums van 30 paginas die tegenwoordig verschijnen. Ik had acht maanden gevraagd en heb die praktisch gebruikt. Op zich was het niet gemakkelijk. Ik had al voor Studio Vandersteen gewerkt. Zon bekende stripreeks van een ander, dat vraagt wat studie, referentiemateriaal en ook een beetje oefenen. Ik heb dus mijn tijd genomen.

‘Voor de hoofdfiguren kan je terugvallen op veel referentiemateriaal. Iets nieuws maken in andermans stijl is verschrikkelijk moeilijk. Dat gaat ook nooit kloppen. Tillieux zei ooit: “Eigen stijl is altijd iets op dezelfde manier fout doen”. Het is extra moeilijk om de motoriek van Vandersteen te volgen. Dat is zoals handschrift nabootsen, je valt altijd door de mand. Persoonlijk vond ik dat de blauwe reeks nogal sterk de stempel van Eduard De Rop droeg. (Eduard De Rop was de vaste inkter van Willy Vandersteen.)

Maar het past bij je voorliefde voor retrostijl?

‘Ik ben nogal nostalgisch aangelegd. Ik ben dol op die jaren 1950 met albums zoals De Stemmenrovers, De Spokenjagers, Het Sprekende Testament… die stijl hing af van de inkter die Vandersteen aan het werk zette. Zelf vond ik de lijnvoering van Karel Boumans altijd heel tof. Ik ben opgegroeid met steunkleur-boeken en die uitgave is begonnen in 1959. In 1967 was het gedaan.

Met Erik Meynen tekende ik ooit een stripje in steunkleur genaamd Pakkeman en Poulet. Het stond in het blad van de federale ambtenaren. Telkens moest de lezer het raadseltje raden en zo de verdachte aanduiden.

[media-credit name=”Dirk Stallaert” align=”alignleft” width=”300″][/media-credit]

Hoe is het met de huidige stripscène gesteld?

‘De strip in het algemeen zit in het verdomhoekje. Alles gaat snel achteruit, aldus Stallaert die voor Standaard Uitgeverij de vedettestripreeks rond K3 tekende.

‘De K3-verkoop was niet goed genoeg om de royaltys aan Studio 100 terug te verdienen vrees ik. Na drie albums was het afgelopen. Ik had een contract voor drie albums. Je kan proberen dat zo goed mogelijk te doen en met scenarist Bruno De Roover heb ik graag samengewerkt. De uitgever zei het zelf: “Je ben tegenwoordig nergens meer zeker van”.

De uitgever lijkt toch groot vertrouwen in Stallaert te hebben: de opdracht voor de blauwe reeks, een integrale van Nino en integrales van de Nero-albums van zijn hand. ‘Eigenlijk was er weinig respons op die integrale uitgaven van Nero. Ik krijg heel weinig respons op mijn werk. Vroeger ontving ik redelijk veel brieven en dat is weggevallen ondanks de opkomst van het internet enz.

[/media-credit] Pakkeman en Poulet in Vandersteenstijl

Dus strips uitgeven is een slag in het donker geworden?

‘Je kunt iets maken dat goed verkoopt. Commercieel dus. Ik ben daar niet tegen als je het goed doet. Ook dat werkt niet meer, de markt is helemaal veranderd. In de gloriejaren was het heel simpel.

Maar eigenlijk ben je zelf op het einde van die gloriejaren begonnen?

‘Het publiceren is heel traag gegaan. Ik werkte bij de civiele bescherming. Af en toe tekende ik wat. Mijn allereerste publicatie was in Humo. Eén strookje en ik zat nog op college. Het ging over de BOB. Ik kreeg er 200 frank voor. Toen ik 20 jaar oud was verschenen in het weekblad Kuifje een paar cartoons en ik vermoed dat de hoofdredacteur André-Paul Duchâteau dit enkel deed om mij aan te moedigen. Ik had echter geen ambitie. Het volgende werk verscheen pas in 1976 in Knack. Ridder Digest was een strip met onderschriften zoals Pa Pinkelman door Carl Voges en Godfried Bomans.

Carl Voges, die velen kennen als de tekenaar van Pietje Puk, was een fantastisch tekenaar. Dat is een naam die je anders niet vaak meer hoort. Over Carl Voges waar ik een enorme fan van ben, had ik een discussie met Martin Lodewijks. Hij vond Voges een voetnoot. Onbegrijpelijk.

Dus met Knack begon het pas echt?

[/media-credit] Waspman

‘Ik schreef alles zelf. Karel Anthierens was redactiesecretaris en hij hield van strips. Deze verhaaltjes van 10 paginas verschenen rond 1982-1983. Graag zagen ze één lang verhaal, maar ik vond dat zelf niet goed. Later bij De Zwijger kwam ik terecht bij Johan Anthierens en mocht ik één stripje tekenen: een parodie op comics getiteld Waspman. De verschenen twintig stroken schreef ik zelf, maar ik was dat rap beu. Eigenlijk was ik nooit een toonbeeld van ambitie, ik tekende graag…

In die tijd heb ik voor Jean-Pol gewerkt en Kramikske mee getekend. Patrick Vermeir die scenarios voor Jommeke maakte contacteerde mij om een strip te maken over André Van Duin. Hij kwam er achter dat daar al iemand anders mee bezig was en dus kwam hij met het idee voor een strip over de Strangers. Ik dacht direct: schrijf maar. Het project werd direct geaccepteerd bij de Gazet van Antwerpen. We hebben daar één verhaal van gemaakt. Toen vroeg de Gazet om een echte kinderstrip te maken. Kitty ging dus over meisje van een jaar of vijf, een soort Jommeke light.

Begon je toen wat je brood te verdienen?

Ik probeerde dat wat op te trekken en zo hebben we toch een verhaal of tien gemaakt. Ondertussen tekende ik de Kramikske-gags naar scenario van Daniel Janssens. Hij had eerder Bessys geschreven en was ooit Bakelandt gestart met Hec Leemans. Zo begon ik stilaan mijn boterham te verdienen en toen kwam Hec Leemans met het idee voor Nino. Nino werd redelijk snel aanvaard bij uitgeverij Lombard door artistiek directeur Bob De Moor. Hec Leemans kende die goed. Rob Harren, de Nederlandse nieuwe uitgeefdirecteur, haalde daar toen veel Vlamingen en Nederlanders binnen. In 1989 moest ik dus niet lang nadenken. Uiteindelijk heb ik loopbaanonderbreking genomen. Op die manier kon ik altijd terug, maar na zes jaar heb ik definitief gekozen voor de job van striptekenaar en ontslag genomen.

[/media-credit] Met Hergé als voorbeeld net iets te hoog gegrepen

‘Nino was niet gemakkelijk, ik had Hergé voor ogen. Ik heb daar veel boeken over gekocht, de lat erg hoog gelegd en uiteindelijk tekende ik toen boven mijn mogelijkheden. Alles nam zoveel tijd. Dus werd Kitty stopgezet. Kramikske was vanzelf doodgebloed. Ik zat dus met één strip: Nino. Omdat het zo traag ging verdiende ik mijn brood niet meer. Net op dat moment zocht Marc Sleen een opvolger (hij was 70 jaar geworden). Daar kwam veel volk op af.  Je moest een strip maken om te solliciteren. Dat lukte bij mij niet goed en ik heb mijn sollicitatie niet ingezonden.

Maar toch kwam je bij Sleen terecht?

Nu bleek Sleen niet tevreden met wat hij ontvangen had. Toen ik dat hoorde stuurde ik mijn stripje op en de volgende dag belde Sleen. Hij vond dat fantastisch. Het was nochtans niet erg goed. Ik denk dat Sleen Nino al kende want hij kende ook Hec Leemans goed. Op grond van Nino heeft Sleen me toen direct aangenomen. Nu is Nero een krantenstrip en dat is enorm veel werk. Als gevolg daarvan begon Nino nog meer te slabakken. Rond plaat 16 had ik me in knoop getekend. Ik zag dat niet meer zitten. We waren aan het vierde verhaal begonnen en maanden al schoot dat niet meer op. Ik was er niet op uitgekeken, maar zat boven mijn mogelijkheden te werken.

Bovendien was de verkoop niet denderend: van het eerste album gingen van de Nederlandstalige en Franstalige albums tezamen 16 500 exemplaren over de toonbank. Later hoorde ik dat Nino in La Libre Belgique en Het Laatste Nieuws stond, maar doorbreken was toen al moeilijk. Stefaan De Moor deed de syndication bij Lombard en leurde daar echt heel hard mee. Zo verscheen Nino zelfs in Turkije. Bij Lombard hebben ze dan maar de stekker eruit getrokken. Nero deed ik heel graag en daar verdiende ik wel mijn boterham mee.

Uit die periode rond 1992 herinner ik me dat Michetz in een interview met me enorm klaagde over de vaste prijs voor een pagina (plaat) van 10 000 frank en de auteursrechten achteraf. Volgens Michetz, die zelf toch een succesreeks tekende met Kogaratsu, viel met striptekenen geen brood meer te verdienen als je geen tien tot vijftien albums in de back catalogue had die bleven verkopen. Speelde dat al mee?

‘Veel uitgevers waren overgestapt op een systeem van een niet-terugvorderbaar voorschot in plaats van een vaste plaatprijs plus auteursrechten. Je kreeg die plaatprijs nog, maar dat was een voorschot. Achteraf trokken ze dat bedrag van je auteursrechten af. Die verandering kwam bovenop de moeilijkheden van een pas beginnende reeks. Zelf las ik destijds in een Marabout-pocket over strips uit 1969 hoe dat eerder bij Franquin en Jijé ging. In dat boekje stond dat een debutant 6500 frank per plaat ontving in de jaren 1950 – 1960.

‘In de tijd van Nino was het dus niet veel soeps, maar mijn vrouw werkte ook nog op een kantoor, dus bittere armoede werd het nooit. Nu is het nog erger. Jaarlijks verlaten gediplomeerde striptekenaars de academies. Wat gaan die doen? Zelf was ik al jurylid in Gent – zonder zelf een diploma te hebben – en een van de laureaten werd later mijn assistent. Nu werkt hij bij de Post. Het enige wat je kan doen is bij iemand anders gaan werken als assistent.

De Stallaert-jaren

Wat je zelf ook deed?

‘Bij Sleen deed ik niks anders meer dan Nero tekenen, hoewel ik wel een keer een strip over Eddy Wally maakte. Ik kon mij focussen op die krantenstrip. De stroken stonden helemaal volgetekend, Sleen vond dat geweldig. Dan zei hij: “Ik lees dat met vergrootglas in bed”.

Dus deed ik er baldadig nog een schep bovenop, denkend dat hij dat niet ging pikken. Opnieuw vond hij dat geweldig. Sleen hield controle over de scenarios maar qua tekenen kon ik echt alles geven.

Nu ben je een aan album van De Kiekeboes bezig, maar dat is niet vergelijkbaar met Nero destijds?

‘Na Kiekeboe ben ik op pensioen, maar ik maak me geen zorgen. Ik ga die werkdruk niet meer hebben. Ik pak mijn tijd nu al. Neem de Kiekeboe waar ik mee bezig ben. Begin december was de deadline en op mijn vraag is die verschoven. Ik werk altijd maar trager.

Ben je zo veelzijdig qua stijl of is het noodzaak?

‘Ik kan niet kiezen tussen stijlen. Nu eens kies ik voor de klare lijn, dan weer teken ik een periode soepel en met penseel, ander papier en potloden.

[/media-credit] Een door Stallaert getekende Suske en Wiske uit de rode reeks

Je tekende Nero, Suske & Wiske, Kiekeboe enzovoort, maar niemand denkt bij jou aan eigen reeksen. Wringt dat niet?

‘Ik heb eigenlijk wel eigen reeksen maar de mensen zien dat niet zo omdat Urbanus scenarist was. Neem Plankgas en Plastronneke of Mieleke Meleke Mol. We wilden een publiek bedienen waar weinig strips voor waren – de kinderen die pas kunnen lezen. Ik beschouw dat als eigen werk, het is niet omdat Urbanus de scenarios schreef dat het niet evenveel mijn œuvre is.

Als ik mijn carrière overschouw merk ik dat die aan de rommelige kant is. Dat is niet alleen mijn fout. Er komen aanbiedingen en je moet keuzes maken. Ik heb me altijd goed geamuseerd. Ik heb dan geen succesreeks en ook geen back catalogue. Hierdoor heb ik ook niet de negatieve kant van het succes ervaren. Ik werd nooit slaaf van mijn eigen werk. Altijd hetzelfde moeten tekenen steekt mij rap tegen.

Je bent wat ze een musicians musician noemen. De favoriete tekenaar van andere striptekenaars.

‘Als ik nu geweldig veel succes had dan zouden ze me dat wel kwalijk nemen. Nu ben ik een underdog.

Maar je werkt bij voorkeur alleen?

‘Als je met personeel wil werken moet je ook zeker zijn van je inkomen. In de tijd dat ik met inkters werkte, zette ik zelf al een deel in de inkt. Delegeren is moeilijk, ik doe alles te graag. Ik speel striptekenaar. Soms Hergé, soms Franquin… Volgend jaar ben ik met pensioen, maar ik wil voortwerken. Op mijn tempo.


Promotie: voor het eerst in meer dan een kwarteeuw worden de drie Nino-albums, die nog altijd als enkele van de beste Belgische strips uit de jaren 90 gelden, eindelijk gebundeld. In deze bundeling worden ze voorafgegaan door een uitvoerig achtergronddossier, waarin de totstandkoming van de serie wordt gereconstrueerd en toegelicht. 

Deze week als Strip van de Week met gratis verzending.

 Bestel hier de Ninobundel met gratis verzending.

Lode Goukens