De Rozenoorlogen

 

Richard Plantagenet:
Wie als man van adel zich beschouwt

en de eer van zijn geboorte hoog wil houden,

plukt, als hij denkt dat ik de waarheid spreek,

met mij van deze struik een witte roos

Hij plukt een witte roos.

 

Somerset:

En wie geen lafaard en geen vleier is

en de partij van het recht durft steunen, plukt

met mij een rode roos van deze struik.

Hij plukt een rode roos.

 

Warwick:
Ik hou niet van blanketsel; zonder kleur

van kruiperige vleierij pluk ik

de witte roos dus met Plantagenet.

 

Suffolk:
Ik pluk de rode roos met Somerset

en zeg daarmee: het recht staat aan zijn kant.

 

William Shakespeare brandde de Rozenoorlogen diep in het geheugen van de geschiedenis met zijn toneelstukken over deze bloedige strijd. De bovenstaande conversatie komt uit Hendrik VI, deel 1, dat de vroege stadia van de Rozenoorlogen als onderwerp heeft. Tijdens deze beroemde ‘rozentuin’-scène doopt de hertog van York, Richard, de witte roos tot zijn symbool. Hij maakt ruzie met verschillende andere edelen die de rode roos tot hun symbool kiezen. Het past in het simpele beeld over het langdurige conflict uit de late 15de eeuw geschetst door de Tudor-dynastie die als eindwinnaar het laatste woord kreeg.

Haar versie van die geschiedenis luidt als volgt: de kroon was omstreden geraakt door de afzetting van koning Richard II in 1399. Twee clans vochten daarom bijna een eeuw een oorlog uit, als een soort van goddelijke straf voor het te schande brengen van een gezalfde koning. Uiteindelijk verenigden de twee clans zich in de familie Tudor in 1485 door de nederlaag bij Bosworth van Richard III van York, de gebochelde slechterik, en het koninkrijk Engeland was gered. Voortaan droeg het koninkrijk de roos met witte en rode bloemblaadjes als symbool. Het begrip ‘Rozenoorlogen’ is dan weer een negentiende-eeuwse uitvinding. De schrijfster en onderwijzeres Lady Maria Callcott muntte de term in een kinderboek uit 1835.

Een complex verhaal

Dat simpele propagandabeeld van de Rozenoorlogen is nog altijd bijzonder gangbaar in de 21ste eeuw. Richard III is nog altijd een graag geziene boeman in het collectieve Engelse geheugen. Een soort van Darth Vader onder de Engelse koningen. Nochtans bewijst historisch onderzoek al jaren het tegendeel. De Britse mediëvist Dan Jones wil met zijn boek Gevecht om de troon. De Rozenoorlogen en de opkomst van de Tudors het historische onderzoek naar dit thema bekend maken voor het brede publiek. Dat is geen eenvoudige klus, omdat een onderwerp als de als ‘Rozenoorlogen’ bekend geworden burgeroorlogen een bijzonder complex kluwen is aan namen en volgnummers. Raak maar eens wijs uit het overaanbod aan Richards, Hendrikken en Edwards of de vele verschillende graven en hertogen van Norfolk, Somerset enzovoort. De bijgevoegde stambomen en historische kaarten zijn dus meer dan welkom voor de soms zoekende lezer.

Dan Jones leert je dat de ondergang van het koninklijke huis Plantagenet niet zozeer het gevolg was van een bloedstrijd tussen twee facties – en Richard III was gewoon even slecht als sommigen anderen uit zijn tijd – : ‘Deze eeuw was vooral een gevaarlijke, grillige en soms nauwelijks te begrijpen tijd van diepe politieke instabiliteit die uiteindelijk voortkwam uit het instorten van het koninklijk gezag en de teloorgang van de Engelse heerschappij in Frankrijk onder Hendrik VI. In een systeem waarin wetten, orde, gerechtigheid en vrede zo duidelijk afhankelijk waren van de persoon van de koning en het aan de kroon verbonden ambt, was de regering van Hendrik VI (en zijn naleven tussen de afzetting van 1461 en zijn dood tien jaar later) een ramp.’

De zwakke Hendrik VI

De onfortuinlijke Hendrik VI speelde een sleutelrol in het ontstaan van de broedertwisten in het koninkrijk. Als zevenjarige diende hij de schoenen te vullen van zijn onverwacht overleden vader: de krachtige Hendrik V, de koning die Frankrijk onder zijn knoet kreeg. Men kroonde Hendrik VI tot koning van Engeland (in 1429 in Londen) en Frankrijk (in 1431 in de Notre Dame van Parijs) en deze zichtbare Engelse overwinning hield ook meteen de nederlaag in. De nieuwe koning besteedde een groot deel van zijn energie aan onderwijs (hij stichtte Eton College in Windsor en King’s College in Cambridge) en architectuur, maar in tegenstelling tot zijn vader toonde hij bijzonder weinig interesse in oorlogsvoering.

Op korte tijd verloren de Engelsen zowat al hun bezittingen in Frankrijk en dat zorgde voor diepe wonden bij de Engelse adel. ‘Het Engelse bestuursapparaat was in de jaren twintig en dertig van de vijftiende eeuw robuust – stevig genoeg om bijna twee decennia lang met een minderjarige koning te kunnen omgaan. Maar het was niet robuust genoeg om met een volwassen koning om te gaan die zijn rol eenvoudigweg niet speelde.’ Door de zwakte – en later zelfs geesteszwakte – van de koning traden verschillende edellieden naar voren die vonden dat ze beter het belang van Engeland konden dienen dan de gezalfde vorst.

Er ontstond een ‘een volstrekt unieke crisis’. Een van die edelen was Richard van York, de man die in Shakespeare’s stukken de witte roos aannam. Maar Jones wil meer vertellen dan ‘het verhaal van ijdele aristocraten’, hij presenteert een vertelling van een door van alles geplaagde gemeenschap die daarenboven belemmerd werd door ‘inadequaat leiderschap’.

De Tudor-mythologie

De beschrijvingen van Dan Jones lezen vaak als een roman. Hij poogt een realistisch beeld te scheppen van de ‘barre en geteisterde periode’ en daarbij wil hij de vertekende bril van de Tudors zoveel mogelijk ontwijken. De historicus bezit oog voor het kleinmenselijke van de ‘groten’ uit de geschiedenis. De vertaler, Roelof Posthuma, verdient overigens een pluim voor zijn knappe vertaalwerk. Er vloeit ook heel wat bloed over de bladzijden heen, dat is ook typisch voor Dan Jones. De schrijver houdt van de akelige hoeken van het verleden, maar evenzeer van de volksere vertellingen.

Hier een klein voorbeeldje over de ondergang van de beruchte Richard III: ‘Na de gevechten werd koning Richard van zijn wapenrusting ontdaan, op de rug van een paard gegooid en naar Leicester vervoerd om in het schip van de kerk van de Greyfriars (franciscanen) begraven te worden. Tijdens zijn laatste tocht werd zijn lichaam verminkt en vernederd: een mes of dolk werd zo hard door zijn naakte achterwerk geramd dat zijn bekken ervan beschadigd raakte. Vervolgens werd zijn bloederige lichaam in een haastig gegraven, ondiep graf gegooid.

Gevecht om de troon vertelt de overlappende verhalen in vier grote delen. Het start met de constitutionele crisis van het laatmiddeleeuws Engeland, de tweede fase onderzoekt hoe Richard van York tot het besluit kwam dat het beter was om zelf de kroon in handen te nemen dan de zwakke koning trouw te blijven, het derde deel schetst de verbazingwekkende opgang van de Tudors – aanvankelijk een onbelangrijk geslacht uit Wales – en ten slotte wordt de definitieve machtsgreep van die Tudors onder de loep gehouden. De conclusie van het boek is dat de Tudor-familie zegevierde. Ze waren niet alleen meesters op het slagveld, maar ook meesters in de kunst van de zelf-mythologisering. En die mythologie houdt tot op vandaag hardnekkig stand.

 

 

Harry De Paepe