De millennials schrijven (literatuur)geschiedenis

Een streepje nostalgie naar het heden in deze column. Het eerste literair-historische overzicht van het millenialproza in de Lage Landen is uit, en dat feit  stemt uw dienaar zowaar weemoedig.

‘My theme is memory, that winged host that soared about me one grey morning of war-time. These memories, which are my life — for we possess nothing certainly except the past—were always with me’, laat Evelyn Waugh zijn protagonist Charles Ryder mijmeren, ergens halverwege Brideshead Revisited. [‘Mijn thema is herinnering, die gevleugelde schare die om me heen zweefde een grijze ochtend in oorlogstijd. Deze herinneringen, die m’n leven zijn — want we bezitten niets met zekerheid behalve het verleden — waren altijd bij me.’]

Heimwee

Vijftien jaar en minstens evenveel kilo geleden was uw dienaar letterenstudent in Leuven. Het hoeft niet te verbazen dat een zekere heimwee naar die dagen die geurden naar verse boekenwijsheid zich af en toe van mij meester maakt. Bijvoorbeeld bij het doorbladeren van de jobadvertenties in de krant, waarvan geen enkele luidt: ‘Dringend gezocht: master in de westerse literatuur!’

Wat me nog het meeste bijblijft: de literatuurwetenschappelijke discussies en hun boventoon van op Foucault en Adorno gesteunde paranoia ten aanzien van wat in dat tijdsgewricht voor literatuur doorging. Samen met een bende gelijkgestemde wijsneuzen, in de wandelgangen bekend als ‘de bende van het vierkante brilletje’, had ik een dagtaak aan het zoeken naar uitwegen voor de aporie waar het alomtegenwoordige postmodernisme de literatuurstudie scheen te hebben gebracht. Het gelul moet niet van de lucht zijn geweest tijdens die middagen vol koffie en sigarettenrook, waarin we wijs trachten te worden uit de ironische pirouettes van (onder andere) Mutsaers, Koen Peeters en Hertmans pre-Terpentijn.

Ach wat, als al dat luchtfietsen geen uitzicht bood op een job. We zouden wel zien, daar verderop in de toekomst. Onze mentale horizon was bepaald door de quasi-permanente grote vakantie die werd voorgespiegeld door het ‘einde van de geschiedenis.’ Wanneer we echt niets beters wisten te verzinnen, wierp een van ons op: ‘zeg, postmodernisme, wat is dat eigenlijk?’ en dan waren we weer vertrokken voor een paar uur.

De studie van de nostalgie

Je wordt oud, pa. U moet weten dat schrijver dezes ooit een hele masterproef heeft opgehangen aan de studie van de nostalgie. Wanneer me dan een literatuurgeschiedkundig overzichtswerk onder ogen komt, nota bene een waarin schrijvers van mijn eigen generatie het onderwerp vormen,  zit ik zó weer op de universiteitsbanken, Ladeuzeplein Revisited. Het moeten niet altijd herdenkingsspecials van Samson & Gert zijn, in weerwil van wat sommige leeftijdgenoten schijnen te denken.

Ik herinner me nog goed wanneer ik de term ‘millennial’ voor het eerst hoorde: in het najaar van 2008, tijdens een redactievergadering van de Leuvense studentenkrant Veto. De term was opgedoken in de marge van een onderwijsdiscussie en leek op dat moment weinig méér om het lijf te hebben dan een in veel jargon verpakte variant op ‘de jeugd van tegenwoordig.’ Ik vond het geweldig confronterend om, 21 jaar oud, in het soort vakje gestopt te worden dat onze cursussen meestal voorbehielden voor lui die al lang gestorven waren, of goed op weg daarheen: de Vijftigers, de Tachtigers, the Lost Generation, de Babyboomers. Maar wij? Alles moest nog beginnen, alles kon nog (geloofden we), wij borrelden nog als magma, het was toch wel zeker te vroeg om al een klein terminologisch kistje voor ons te timmeren?

Als eerstejaarsstudenten hadden wij gediend als proefkonijnen voor wat Hugo Brems Altijd weer vogels die nesten beginnen zou worden, een geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur tussen 1945 en 2000. In dat boek leek de literatuur te evolueren volgens een schema dat strakker geritmeerd was dan de uurregeling van een Intercitytrein. Dat boek eindigde met een prentje waarop een stel kleine kinderen, wellicht late millenials, boeken zit te lezen.

De verguisde generatie

Eindigde Brems omstreeks 2000, dan verscheen in tussentijd Vaessens studie De revanche van de roman; literatuur, autoriteit en engagement, en nu is er dus het eerste boekwerk dat de literatuur van de millennials in de Lage Landen onder ogen neemt. Het zijn werken die ik heb zien ontstaan, die ik in sommige gevallen heb bevraagd en besproken vanuit het dwingende ‘nu’-perspectief dat eigen is aan de journalistiek. Het is een vreemd gevoel om al dat recente gebruis te zien stollen in het kader van een ambitieus opgevatte overzichtsstudie. Misschien leer ik en passant nog iets bij over mezelf.

Voorzover dat nog nodig is. Zou er ooit een generatie veelvuldiger onder de loep c.q. op de korrel zijn genomen dan dat cohort geboren tussen de vroege jaren 80 en late jaren 90? Demeyer en Vitse doen alleszins hun stinkende best om de millenialauteurs te kaderen als een schrijversgeneratie die antwoorden wil formuleren op de pluriforme crisis waarmee ze zich geconfronteerd zien: een economische realiteit vol onzekerheid en precariteit en toegenomen ongelijkheid na de financiële crisis van 2008, een knagend besef dat het ideaal van het ‘goede leven’ dat hun jeugd en opvoeding bepaalde langzaamaan onhaalbaar wordt, de klimaatcrisis, de identitaire vraagstukken… Dimensies van hechting, verbinding, gemis en verlangen worden belangrijk. De postmoderne ironie en haar obsessie met deconstructie wijken. Het affectieve komt nadrukkelijk op de voorgrond.

Generatie na generatie

Op basis van een corpus van vijftig auteurs en zestig romans onderzoeken Demeyer en Vitse de romankunst van de laatste tien jaar. Opvallend is de prominentie van Nederlandse schrijvers tegenover Vlaamse, al zal de sterke groepsvorming rond het tijdschrift Das Magazin en de daaruit voortgekomen uitgeverij Das Mag daar voor een groot deel tussen zitten. Ook buitenlandse auteurs komen aan bod. David Foster Wallace bijvoorbeeld, die weliswaar qua leeftijd eerder bij Generation X hoorde, maar als wegbereider wordt gezien voor het postironische literaire paradigma waarin we volgens Demeyer en Vitse de millenialliteratuur moeten begrijpen.

Het boek besteedt veel aandacht aan het werk van auteurs als Christophe Van Gerrewey en Koen Sels, in wier poëtica’s de samenstellers wellicht een duidelijke veruitwendiging zien van hun theorie over het wezen van de millenialliteratuur. Naar Frederik Willem Daem, Astrid Haerens, Yannick Dangre of Maarten Goethals zul je vergeefs zoeken. Maar misschien zijn zij, ondanks het feit dat ze qua leeftijd perfect in de cohorte passen, in literair vlak te zeer ‘oude zielen’ om in dit specifieke kader te passen.

Intussen is de wereld alweer verdergedraaid en heeft men het elders alweer over ‘coronials.’  Nog voordat de vaccinaties goed en wel zijn uitgedeeld, worden — weliswaar nog maar op de krantenpagina’s, vooralsnog niet in geleerde naslagwerken — de eertse  pogingen ondernomen om een ‘coronaliteratuur’ af te bakenen. Met op kop de Coronakronieken van Daan Heerma Van Voss en de onvermijdelijke Ilja Pfeijffer. Of is die, op zijn 52e, als boomer afgeserveerd?

Michiel Leen