De middeleeuwen waren anders

De middeleeuwen kwamen ten einde met de renaissance, het quatrocento. Toen zochten geleerden en kunstenaars in Italië terug aansluiting bij het roemrijke verleden van het ‘beschaafde’ Oude Rome. Letterlijk slaat het op de ‘wedergeboorte’ van de ‘Klassieken’. De tien eeuwen tussen de val van die stad en de 15de eeuw waren donker en duister.

De gemiddelde historische thriller, film of tv-reeks laat u dat maar wat graag geloven. Er werd volop oorlog gevoerd, gemarteld en verkracht. Heksen werden willekeurig verbrand, heersers en warlords hadden vrij spel. De rooms-katholieke kerk bepaalde het leven van de wieg tot het graf… Historici en vooral mediëvisten vechten al langer tegen deze foute perceptie, waaraan vooral Hollywood en co schatplichtig zijn. Een net vertaald boek poogt eveneens dat beeld drastisch bij te sturen.

Het idee dat de ‘ouden’ — de filosofen van het Oude Griekenland en hun navolgers uit het Oude Rome — gedurende een millennium niet zouden bestudeerd zijn, is fout. Zoals het evenzeer fout is te denken dat middeleeuwers meenden dat de wereld plat was. En zo zijn er tal van misvattingen en mythes die dringend doorprikt moeten in publieksgeschiedenis.

Renaissance

Om te beginnen is het begrip renaissance. Waar u denkt aan de voorbode van de verlichting, zal een mediëvist u vragen: wélke renaissance? We onderscheiden er immers verschillende, en allen vonden plaats in de middeleeuwen. Er is de Karolingische renaissance (9de eeuw). De Ottoonse renaissance (ca. 1000). Er is de renaissance van de 12de eeuw. En dan natuurlijk ‘dé’ renaissance, die van de 15de eeuw, waarin de zogenaamde ‘nieuwe tijd’ zich aankondigde.

Middeleeuwen en nieuwe tijd zijn twee begrippen, twee namen, die op de discontinuïteit in de geschiedenis duiden. Mensen hebben graag cesuren, scheidingslijntjes, om zaken af te bakenen en te benoemen. Dat die scheidingen bijzonder kunstmatig zijn en allesbehalve eigentijds, zorgt dan voor de nodige clichés waarover hoger sprake.

De term ‘middeleeuwen’ bijvoorbeeld, werd vanaf het einde van de 15de eeuw al gebruikt. Toen werd bedoeld: het was een tijd tussen de Grieks-Romeinse wereld, en hun tijd, waarin die wereld werd geïdealiseerd. ‘Middeleeuwen’ (media tempestas) was — en een schalkse blik op het woordgebruik van politici en opiniemakers leert dat dat vandaag nog steeds het geval is — pejoratief. De ‘duistere middeleeuwen? Hoog tijd om daar komaf mee te maken.

Vooral de renaissance van de twaalfde eeuw komt aan bod in het nieuwe boek De verlichte middeleeuwen. Al behoedt Britse historicus Seb Falk zich om die term te gebruiken. Hij wil duidelijk niet dezelfde fout maken als geleerden 500 jaar terug. Eerder duidt hij op de continuïteit in het Europa van de late middeleeuwen in tal van koninklijke hoven, abdijen en van daaruit gestarte universiteiten. En die continuïteit is op de eerste plaats het blijven bestuderen van de ‘Ouden’, de Klassieken. Mensen — niet het minst monniken — zochten nog steeds naar antwoorden op hun vragen, en zochten daarvoor heus niet alleen een antwoord in heilige boeken als de Bijbel, maar bestudeerden de natuur, de mens en het heelal.

Wetenschappelijke kennis

In De verlichte middeleeuwen doet Seb Falk het relaas van een monnik-wetenschapper van de prestigieuze Engelse Sint-Albansabdij. Door zijn manuscripten, maquettes en correspondentie, hebben historici ’s mans leven grosso modo kunnen reconstrueren. Die levensloop hanteert Falk om een tour d’horizon te maken van de wetenschappelijke kennis van toen.

De monnik in kwestie heette Johannes (John) Westwyk. Behoudens zijn deelname aan de ‘bisschopskruistocht’ tegen de Franse tegenpaus en een decennium durend verblijf in de van de abdij afhangende priorij Tynemouth in Northumberland, verbleef hij zijn hele leven in de prestigieuze abdij net ten noorden van Londen. Hij kreeg er tijd en mogelijkheden om zich — buiten het strakke dagschema van de andere benedictijner monniken — bezig te houden met zijn studies van tijd en heelal. Aan de hand van die studies, gaat Falk na wat de stand van zaken was van de wetenschappelijke kennis, die aan de abdijen en (kerkelijke georganiseerde) universiteiten bestond, en welke Klassieken monniken bestudeerden.

Van kalenders…

Zo passeren rekentabellen de revue om in Romeinse cijfers met astronomische getallen te rekenen. Falk doet eveneens uit de doeken hoeveel makkelijker het werd om te rekenen met de Indische cijfers die via de Arabieren tot Europa kwamen. Uurwerken waren belangrijk in kloosters, opdat de monniken de getijden trouw konden volgen. Maar de wateruurwerken maakten plaats voor uurwerken die haast met de precisie van een atoomklok de tijd lazen, en evenzeer de getijden, de stand van de maan en de meeste hemellichamen toonden.

We leren over de computus (jawel), die diende om de dag van Pasen te berekenen — Pasen wordt immers bepaald door een maankalender. Tijdrekenkunde was dus ontzettend belangrijk in het christelijke Westen. En zo circuleerden er ontelbare steeds opnieuw gekopieerde (en gecorrigeerde) manuscripten met tabellen over het continent.

… en kompassen…

We lezen in Falks boek over het magnetische kompas, dat in de veertiende eeuw algemeen zijn intrede kende en ontdekkingsreizigers de mogelijkheid gaf aan de ‘circumnavigatie’ (rond Afrika) te beginnen en de Atlantische eilanden te koloniseren. De verlichte middeleeuwen staat evenzeer stil bij de evolutie van het taalgebruik, en de introductie van het Engels als studietaal — met dank aan Geoffrey Chaucer. Wie wat van astronomie kent en voldoende wiskundig onderlegd is, zal genieten van de hoofdstukken waar de werking van astrolabia en Westwycks equatorium aan bod komen.

Ook over de vele internationale contacten binnen Europa en met India en moslims uit het huidige Iran en Oezbekistan, krijgen we heel wat informatie — zonder hen geen Copernicus die definitief de zon centraal in het heelal plaatste. Zelfs empirie — dat schoolboeken doorgaans in de moderne tijd plaatsen — vond zijn ingang: ‘wetenschappelijke redeneringen moesten bevestigd worden door gecontroleerde en herhaalde experimenten,’ lezen we bij Falk (p. 141). Ook de ontwikkeling van de geneeskunde en het gebruik van de juiste kruiden, komen aan bod. En de ontwikkeling van ‘gemeentelijke’ hospitalen in de steeds groter wordende steden, daarmee ziekenzorg uit de handen halend van de Kerk.

… tot de Kerk

Ondanks die laatste evolutie, gebeurden de meeste wetenschappelijke ontwikkelingen binnen de muren van de vele kloosters die Europa rijk was. Het geloof in God heeft mensen immers nooit weerhouden te proberen de wereld om hen heen te begrijpen. De trouw aan teksten en tradities, zo schrijft Falk, heeft nooit betekend dat nieuwe ideeën werden verworpen. Integendeel, de Kerk organiseerde de eerste universiteiten.

Tot een kwart van de monniken in de 13de eeuw ging naar een unief. Daar bestudeerden, becommentarieerden en interpreteerden ze de Klassieken. Met nieuwe inzichten tot gevolg, die door de constante communicatie tussen die kloosters en universiteiten zorgde voor een brede inbedding van die nieuwe kennis. Dat inzicht kregen we al mee van James Hannan in Gods filosofen — ook al een aanrader. Zelfs als een paus het nodig vond om Aristoteles’ werk te bannen, dan blijkt dat magisters dat verbod vrolijk naast zich neerlegden …

Bedrog

De verlichte middeleeuwen is een enorme aanrader. Ook wie het soms op de heupen krijgt van wiskundige formules en astronomische berekeningen (die kan u diagonaal lezen), heeft hiermee een rijk boek dat menig vooroordeel met succes bestrijdt. Eén vooroordeel blijft er na lezen nog rechtop, meer dan ooit. De astronomie, waar zoveel tijd, geld en energie werd ingestoken, leek een hulpwetenschap van de astrologie.

Men wou niet enkel weten wanneer zomer en winter begonnen — niet onbelangrijk in een landbouwsamenleving. Men wou de sterren ook kunnen lezen. Want dan kon je voorspellingen doen. Niet alleen over de weersomstandigheden, maar ook over het lot van eenieder — sponsorende heersers, wereldlijk en kerkelijk, op de eerste plaats. Bedrog is dus van alle tijden. Ook daar zit een continuüm in.

Karl Drabbe