De les gespeld: liefde voor taal!

Nu de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) na al die jaren tot de plotse vaststelling komt dat hun omschreven grammaticale regels de toetst der werkelijkheid niet doorstaan – gebruikers van de taal hanteren de spraakkunst anders dan verwacht – lijkt het boekje met de alleszeggende titel Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal een stille terechtwijzing. Iemand wijzen op spellingsfouten wordt ooit nog strafbaar. Gelukkig is er Mira Feticu die ons het belang van taal voorhoudt in – hoe kan het anders – een prachtige, poëtische schrijfstijl.

Taal is de basis van je identiteit. Dus: veronachtzaam haar niet, verwaarloos haar niet.
Dat is wat de Roemeense Mira Feticu ons leert. ‘Taal is ook een god, die je moet aanbidden en temmen.’ Zestien jaar woont zij inmiddels in Nederland en in die relatief korte tijd schreef zij vijf boeken. In het Nederlands. En alle vijf zijn ze liefdesverklaringen aan de taal.

Anders kijken

In 43 korte ‘taalmijmeringen’ – met titels als ‘Taal en vrijheid’, ‘Taal en onmacht’, ‘Taal als wapen’, ‘Taal en rijkdom’ –  leert ze ons ànders kijken, luisteren, proeven.
Mira debuteerde met gedichten en dat merk je meteen: haar gevoeligheid met woorden is vaak verrassend maar altijd raak. Treffend. Feticu doet ons nadenken over taal. Wij die onze moedertaal met de papfles ingegoten kregen, vinden te veel woorden en uitdrukkingen te van-zelf-spre-kend, terwijl ze voor haar vaak vraagtekens lijken die ze wil rechttrekken tot een uitroep. Ook al blijft die dan nog onzeker klinken.

In haar inleiding heeft Mira Feticu het over een ‘helende taal, waar een genezende werking vanuit gaat, een taal die sust en troost, een taal ook waarin ik veel over pijn schreef. Een liefdesverklaring, ja, maar liefde betekent ook pijn.’ Het is een verwijzing naar haar boek Al mijn vaders waarin ze het misbruik en de verwaarlozing tijdens haar jeugdjaren beschrijft en de schuldigen onderbrengt in de hel van Dante. De pijn van het verleden.

Tennis

Tijdens een eerste bezoek van haar Roemeense ouders aan Nederland beseft ze plots, wanneer ze in de auto Nederlands praat, dat het haar kalmeert: praten in een taal die haar ouders niet begrijpen doet haar bloeddruk dalen, schept afstand, beschermt haar, geeft kansen, ze komt erdoor tot rust Ze praat Nederlands met haar man, terwijl haar ouders niets begrijpend op de achterbank zitten. ‘Ik blijf maar ratelen en mijn man speelt het spel mee. We tennissen met Nederlandse woorden. Mijn ouders zitten achterin en kunnen geen antwoord geven, ze kunnen geen bal slaan. Ze kunnen niet slaan.’ De taal redt me, schrijft ze. ‘Ik besta omdat ik Nederlands spreek. Ik ben iemand.’

Toen ik vandaag een bloem verpotte, heb ik in het Roemeens tegen mezelf gezegd: “Er is niemand die zich aan mij heeft vastgeklampt om me niet te laten vertrekken, zoals de bloemen steun bij elkaar zoeken wanneer je ze plukt.” Zei ik dat? Hoe kwam ik op deze woorden? Misschien heeft het meisje van twaalf dat vertrok naar het internaat dat tegen me gezegd?

Taal en dictatuur

Mooi zijn haar onvermijdelijke vergelijkingen, zoals deze: ‘Als ik woedend ben, praat ik veel, omdat ik veel herhaal; de woede heeft dan de helft van mijn brein in het donker gezet, zoals Ceausescu de Roemenen in de jaren tachtig.’

In de jaren zeventig en tachtig, vertelt ze, waren er in Roemenië schrijvers die schreven alsof er geen communisme of dictatuur was. ‘Een ivoren toren was de taal voor hen. Maar er waren ook schrijvers die geen woord meer konden schrijven, omdat de taal gecorrumpeerd was. Er waren ook, heel weinig, schrijvers die de taal gebruikten om de misdaden aan het licht te brengen.’

Taal is een getuige

‘Want de taal is niet blind en doof, de taal is een getuige. En als de taal een instrument van een of andere ideologie wordt, kun je niet meer van de onschuld van de taal spreken.’
Wat verder schrijft Mira: ‘Tijdens het communisme vertegenwoordigde de taal niet langer het denken, het was houten taal – langue de bois, zoals de Fransen zeggen, eiken taal, zoals de Russen zeggen – die niets zei, die sprak in vage formuleringen, een soort parodie op zichzelf. Het doel van de taal was niet langer communicatie, maar het camoufleren van communicatie. Op het moment dat je houten taal sprak, aanvaardde je die niet alleen en onderwierp je je eraan, maar gaf je haar ook door. Uiteindelijk verloor je het vertrouwen in de taal en bleef je voor altijd sceptisch. Hoe kun je je taal terugkrijgen? Door stilte. Het was mijn eerste vorm van spontane opstand. Stilte en eenzaamheid. Vasten in de taal. Vasten met woorden.’

‘Taal is een muziekinstrument, een accordeon. “Ik wil een cola drinken”, zeg je bijna zonder de plooien van het accordeon te openen in je eerste jaar in Nederland. “Ik snak naar een cola” is al een melodie, poëzie. Dagelijks hoor ik de accordeon die de taal is. “Ik snak naar een cola” is mijn kleine geluk op deze ochtend.

Taal en vuur

‘Met weinig woorden vuur maken. Vuur maken voor jezelf. Vuur maken voor de lezer. (…)

Ik houd van deze taal, waarin je zegt ‘de avond val”, terwijl je weet dat de avond niet valt, maar meer “komt”, zoals in mijn moedertaal, of zich tenminste laat vallen. Zou je niet in alle talen houden van “de avond valt”? Omdat je van dat moment van de dag houdt?

Zoeken naar de juiste woorden en tot verfrissende, verrassende soms botsende bevindingen komen, – het maakt dit boek tot een veelkleurig, boeiend en rijk register. Of zoals Feticu dat benoemt: ‘De taal denken, de taal voelen, de taal tot je nemen, van de taal genieten. Ook in de taal voel ik me soms als een meisje dat intens van haar beginnend seksleven geniet. Het genot is groot, maar het zich bewust zijn van het genot is het grootste orgasme.’

De onweerstaanbare fascinatie voor taal in het algemeen, maakt dit boek tot een les in liefde voor je eigen taal.

‘Non-fictieboeken hebben soms een gênante eerlijkheid’, schrijft Feticu. Dit is zo’n boek.

Herre Daelemans