De eeuwig ongemakkelijke Jood

Wat zouden de Nederlandstalige letteren zijn zonder de ‘wandelende Jood’? Harry Mulisch, zoon van een Oostenrijkse vader met nazisympathieën en een Joodse moeder, geraakte er niet over uitgeschreven. Maar ook de kosmopolitische nomade Arnon Grunberg met zijn typisch Joodse witz en tegendraadse verteltrant belichaamt als geen ander Ahasverus, de wandelende Jood aan wie August Vermeylen al in 1906 een allegorische vertelling wijdde.

Op zoek naar verlossing

Vermeylen kende de wereldliteratuur als zijn broekzak en gebruikte de sinds de middeleeuwen legendarische Ahasverus of dolende Jood als spreekpop voor zijn licht anarchistisch gestemd communautarisme. Het personage symboliseerde in zekere zin de diaspora van het Joodse volk. Altijd opgejaagd en nooit tevreden zwermden Joden, die eeuwenlang als moordenaar van Jezus met de vinger werden gewezen, over heel de wereld uit op zoek naar een voorlopige thuis.

Vermeylen hanteerde deze literaire legende als parabel voor de onrust van de moderne mens op zoek naar verlossing. In zijn vertelling zoekt Ahasverus eerst soelaas in orgiastisch ‘hels’ hedonisme, daarna in ‘hemelse’ mystiek om ten slotte tot rust te komen in een zinvol organisch leven in een gemeenschap. ‘Zo gingen ze, hun brood verdienend op de ene en de andere wijze, nieuwe zomers en winters tegemoet, nieuwe strijd van leven, nieuw lijden en nieuwe hoogten — zo gaan ze nog — en wat eens de laatste hoogte en het einde van de weg zal zijn, kan niemand vertellen.’

Joods-Nederlandse literatuur

Ondertussen bloeide in Nederland een relatief rijke Joods-Nederlandse literatuur met Carry van Bruggen en haar even oude broer Jacob Israël de Haan als brandpunt. Barber van de Pol schreef onlangs in Er is geen zijn dan anders zijn een prikkelend biografisch essay over dit aparte Nederlands-Joodse schrijverspaar.

Van Bruggen — de familienaam van haar eerste echtgenoot — maakte naam en faam als eerste literaire feministe in de Nederlandstalige literatuur. Je zou haar kunnen beschouwen als voorloopster van Patricia de Martelaere, die andere weergaloze essayiste. Carry’s broer Jacob Israël veroorzaakte dan weer opschudding met Pijpelijntjes, de eerste expliciete homoseksuele roman uit de Nederlandstalige literatuur. Kortom, beide auteurs trokken zich niets aan van God en gebod. Ze bleven ongestoord hun ding doen. Ook al werden ze door menige tijdgenoot uitgespuwd. En bekochten ze hun vrijmoedigheid uiteindelijk met de dood. Jacob Israël werd vermoord en Carry pleegde zelfmoord.

Ultieme zingeving

Die niemand en niets ontziende kritiek is de brandstof van het overgrote deel van de Joodse Nederlandstalige schrijvers. Van de dichters Judith Herzberg, Nachoem Wijnberg en Rogi Wieg tot romanschrijvers als Arnon Grunberg, Leon de Winter, Marcel Möring en journalisten als Ischa Meijer en verhalenvertellers als Frans Pointl. In de Vlaamse letteren heb je onder anderen de Joods gestoffeerde autobiografische familieromans van Joseph Pearce en de chassidisch aandoende vertellingen van would-be Jood Eriek Verpale.

Meestal worden deze auteurs niet graag aangesproken op hun Joodse roots omdat ze zich simpelweg schrijvers voelen die iets belangrijks zonder meer te vertellen hebben. Maar sommigen onder hen, zeker de Winter (en zijn schrijvende echtgenote Jessica Durlacher) en Möring, zijn geleidelijk aan gaan beseffen dat vluchten of wegkijken niet helpt. Ze schrijven zich meer en meer in die Joodse, literaire traditie in. De hoofdpersonages in de verhalen van boven vermelde auteurs zijn dolende mensen van vlees en bloed die via allerhande omzwervingen en scherpe observaties uiteindelijk hun draai proberen te vinden. Allemaal zijn ze op zoek naar verlossing. En vaak gebeurt die odyssee naar ultieme zingeving via een zoon-vaderconflict. Uiteindelijk herkent de zoon in zichzelf de vader, zeg maar de Leer. Met hoofdletter, zoals dit in de Joodse godsdienst het geval is.

Ironische irrelevantie

Hoffmans honger van De Winter illustreert dit verhaalstramien het best. Hoffman is een gekwelde diplomaat die vooral gewicht wil verliezen. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat het dieet waar Hoffman naar op zoek is meer betekent dan kilo’s verliezen of afkicken van een seksverslaving. Door zich te verdiepen in Spinoza’s traktaat over de verbetering van het verstand beseft de protagonist dat hij een geestelijke diëtiek nodig heeft. Hij geraakt in een verlichte extase: ‘Hij boog zijn hoofd en begon te bidden.’

Je moet als schrijver van goeden huize zijn om een dergelijke op het eerste gezicht loodzware thematiek toch lichtvoetig én overtuigend te kunnen brengen. De sprankelende vertelstijl van e Winter — nu eens ironiserend, dan weer haarscherp — slaagt daar wonderwel in. Bij Möring is dat niet altijd het geval. Ook al is hij een meester van het aforisme, zoals in zijn knap debuut Mendels erfenis: ‘Volgens mij gaat het zo: in zijn jeugd ontdekt de mens het solipsisme, vervolgens de onhoudbaarheid daarvan, dan de verscheidenheid, daarna de gemeenschappelijkheid en ten slotte de irrelevantie van dit alles.’

Blik van eeuwige buitenstaander

Ook Mulisch legt het er soms ietwat te dik op. Zeker als hij zijn eigen hegeliaans aandoende wereldsystematiek begint te versnijden met een snuifje kabbala. Grunberg daarentegen, de superironicus, trekt voortdurend het tapijt van onder de voeten van de lezer om de fundamentele tegenstrijdigheid van elk streven te onderstrepen. Zijn personages nemen immers niets ernstig. Tenzij hun gebrek aan levensernst zelf.

Nergens scheerde de Joodse literaire traditie van eeuwige buitenstaander en alerte observator hogere toppen dan in Amerika. Van J.D. Salingers cultboek De vanger in het graan tot de prachtige verhalen van Harold Brodkey, de sublieme romans van Saul Bellow en de uitzinnige vertellingen van Philip Roth. De blik van het enfant terrible en de spirituele humor bij het commentariëren van zoveel strapatsen zorgden voor fonkelende klassiekers.

Illusieloze veerkracht

Wie meer weten over die aparte Joodse sensibiliteit kan bij ons natuurlijk altijd terecht in het werk van Ludo Abicht. Hier is alles veilig, de knappe debuutroman van Anneleen Van Offel, laat dan weer de aantrekkingskracht zien van de Joodse illusieloze veerkracht in een kapotte wereld. Wie graag van binnenuit meekijkt in de wereld en de ziel van de Joodse-orthodoxe gemeenschap in Antwerpen, moet zeker Mazzel tov van Margot Vanderstraeten lezen. Zij neemt de lezer mee aan het handje van haar twintigjarige alter ego dat als werkstudente vier Joodse tieners bij hun huiswerk helpt. Geleidelijk aan wordt ze zelf haast onderdeel van die Joodse gemeenschap en laat ze met sprekende details zien hoe kosmopolitisch die wel is, maar ook hoe apart en in zichzelf gekeerd. Vanderstraeten belooft trouwens een vervolg op het internationale succes van Mazzel tov.

Laat ons dus dankbaar zijn voor de vaak ongemakkelijke waarheid en de spirituele gevatheid van deze bevlogen auteurs met een Joodse ziel. Outsiders van het volle leven zien immers vaak zoveel meer dan de rechtstreeks betrokkenen zelf.

Frank Hellemans