Benoît Peeters: ‘We waren op het juiste moment op de juiste plaats.

Weinig stripalbums hadden bij verschijnen de impact die De Koorts van Urbicande  had in 1984. Dankzij computertechniek verschijnt na 36 jaar een ingekleurde versie. Oorspronkelijk waren de auteurs François Schuiten en Benoît Peeters aan een stripverhaal in kleur begonnen, maar dat inkleuren bleek zo tijdrovend dat Schuiten het na een dozijn paginas opgaf om het verschijningsritme te kunnen respecteren. Later kleurde Schuiten nog wel af en toe delen in ter gelegenheid van een zeefdruk of een tentoonstelling.

Roman à suivre…

Op een bepaald moment zetten ze zelfs een inkleurster aan het werk, doch die gaf het ook op omdat het te tijdrovend bleek. Een kleureneditie liet op zich wachten. Dankzij Jack Durieux is nu met de computer het verhaal ingekleurd. Het resultaat is uitzonderlijk fraai (een wereld van verschil met de computerinkleuring van de Suske en Wiske-albums in de witte reeks). Peeters en Schuiten zijn dan ook perfectionisten.

Benoît Peeters
Benoît Peeters, de scenarist van De Koorts van Urbicande en Hergé-kenner

Het volumineuze verhaal verscheen destijds als een roman à suivre, de naam voor een graphic novel toen van graphic novels nog geen sprake was. Uitgeverij Casterman had met het maandblad A suivre (Wordt Vervolgd in de Nederlandse editie) een nieuw segment lezers aangeboord. De strips in het maandblad waren voor adolescenten en volwassenen. Dit hield in dat de klassieke preutsheid overboord ging en meer artistieke stripverhalen waaronder vele in zwart-wit verschenen en nadien in albums van variabele dikte en met ander soort papier een boekvorm kregen.

Schokgolf

Deze zwart-wit striproman sloeg in als een bom. Beide auteurs zouden de reeks nog voortzetten met tal van stripromans, maar geen enkele (zelfs Brüsel niet) evenaarde de positieve receptie door publiek en kritiek. Meteen stond een nieuw genre als een huis. De auteurs behoorden meteen tot de top. De tot kunstenaar verheven striptekenaar Schuiten ontwierp later talloze postzegels voor de Belgische post en deed de scenografie voor het treinmuseum. Benoît Peeters geldt nu als topscenarist en theoreticus van de strip. De ingekleurde editie is een mooie aanleiding om Benoît Peeters te interviewen over de schokgolf die zij in stripland veroorzaakten in 1984.

Heeft u een verklaring voor die onmiddellijke positieve receptie?

Benoit Peeters: ‘De receptie van het album was inderdaad beter dan van ons eerste album in de reeks, De Muren van Samaris. In die tijd stond de roman en BD in zijn kinderschoenen. Dankzij A suivre was zwart-wit plots in de mode. Casterman vreesde wel voor het verwisselen van collectie. Samaris  was immers in kleur en had het klassieke format van een stripverhaal. De roman à suivre vormde een andere reeks op dikker papier en ander boekformaat. Ze vreesden dat de verkoop minder goed zou lopen, maar binnen de francofone wereld hadden stripauteurs zoals Pratt en Comès blijkbaar zwart-wit aanvaardbaar gemaakt.

Peeters is een Fransman met een Belgische naam. Zijn overgrootvader was een ‘Hollander en zijn grootmoeder een Belgische. Bovendien woonde de enorme Hergé-fan destijds in Brussel. ‘Die Vlaamse naam zorgde al eens voor kolder. De Belgische ambassadeur in Montréal was bijvoorbeeld enorm geambeteerd dat ik geen Belg bleek toen hij ons daar presenteerde als de exponenten van de bloeiende Belgische stripcultuur. Uiteindelijk passen Schuiten en ik toch in de franco-belgische striptraditie. Ik woonde al jaren in België en onze grote bewondering ging uit naar dezelfde auteurs. Bovenal Hergé en Jacobs, maar ook Winsor McCay, Fritz Lang en Orson Welles.

Hugo Pratt

Mitterrand gaf u een duwtje in de rug?

Aangezien François vader en broer architect waren ging het bij hen thuis ook steeds over architectuur en ik heb nog les gehad van hun vader. Het Belgische publiek hield tot toen vooral van humoristische stripverhalen. Die liefhebbers vonden ons aanvankelijk hautain en bepaalde stripauteurs begonnen na ons succes met de grote prijs op het stripfestival van Angoulême te beweren dat we geen echte strips maakten. Architecten en kunstliefhebbers bleken dan weer plots via Urbicande de strip te ontdekken.

Die discussie over echte strip of geen echte strip zou nog even aanhouden en in die sfeer trokken we naar Angoulême. Casterman had echter op de stand in Angoulême een maquette van de kubus uit ons verhaal opgebouwd en toen de Franse president François Mitterrand daar passeerde en zijn waardering voor de neus van de internationale pers kenbaar maakte waren we plots gevierde stripauteurs. We zaten plots in het tv-nieuws in Brussel. Nog geen week later mochten we zelfs op audiëntie bij koning Boudewijn. Schuiten droeg voor het eerst in zijn leven een stropdas. Het was de eerste keer dat stripauteurs daar werden uitgenodigd. Marc Sleen, Bob De Moor en Morris waren er voor de gelegenheid ook bij. Allemaal door een prijs in Frankrijk waar toevallig veel meer journalisten aanwezig waren.

Was die erkenning of verwondering van buiten het stripwereldje zo belangrijk?

‘Enkele jaren later zou Mitterrand in een interview in A suivre zijn liefde voor de stripromans van Hugo Pratt belijden. Rond die periode zorgde de Franse cultuurminister Jack Lang voor erkenning van de stripverhalen. Wij bleken dus op het juiste moment op de juiste plaats geweest te zijn.

Hoe keken jullie zelf naar de lof voor jullie vernieuwing?

‘Als auteurs bewonderden we de grote striptekenaars en nooit voelden we ons werk aan als een soort breuk met de traditie. Het ging zelfs zo ver dat Schuiten bereid was zich ter beschikking te stellen van Edgar Pierre Jacobs om De Drie Formules van Professor Sato af te werken. Jacobs was echter zwaar teleurgesteld in Le Lombard. Hij voelde zich vergeten en op het einde van zijn leven zei iedereen daar dat zijn werk was gedemodeerd. Onbegrijpelijk eigenlijk.

Dus voor François Schuiten was de cirkel rond toen hij met De laatste farao in 2019 een album mocht tekenen in de nieuwe reeks Blake en Mortimer. De inkleuring van dat album was trouwens ook van Jack Durieux. Het is het enige album in de reeks dat niet in de klare lijn werd getekend.

Andere school

Merkwaardig genoeg plakten recensenten al snel het etiket ligne claire zoals Hergé op jullie werk?

‘Mijn discrete humor en de ernst van Schuiten zorgden voor een goede combinatie. Hoewel de grootste invloed inderdaad kwam van Jacobs en Hergé, dachten we nooit aan de klare lijn. Wij waren van een andere school, onze tekeningen behoorden tot een andere familie van tekeningen. Toen we begonnen was de klare lijn zeer in de mode en dus kleefde men al gauw dat gemakkelijke etiket op ons werk.

Hoe vernieuwend waren jullie dan eigenlijk?

‘De Belgische strip had de trend naar strips voor volwassenen gemist. Daarom leek A suivre al snel meer een Parijse bedoening. Vergeet niet dat het voor Belgische uitgevers die het toch vooral van kinderen moesten hebben economische factoren meespeelden. Eén na één werden ze dan ook later opgekocht door Fransen. De mode was veranderd en de succesreeksen verloren veel marktaandeel. Reeksen voor grote adolescenten en volwassenen werden steeds belangrijker. Vooral bepaalde humoristische stijlen bleken steeds moeilijker te slijten.

De moeilijkere albums gingen van 250 verkochte albums per jaar naar 5 000 per jaar. De populaire reeksen verloren tienduizenden qua oplage. Vandaag is de markt heel erg veranderd. Wij kwamen dus op een erg gunstig moment. Ons publiek beschikte over de koopkracht. Bij adolescenten bestond nog de gewoonte om regelmatig strips te kopen. Toen was het aanbod erg beperkt. Bij bezoek aan een boekhandel konden ze het gehele aanbod overzien. Elk album was zeer zichtbaar in de stripwinkel. Tegenwoordig kan de boekhandel het aanbod zelfs niet meer bijhouden.

Lode Goukens